Reisverslagen

Reisverslag Spitsbergen (06/06 - 16/06/2014)

Rendier

De eerste Natuur.reis was indrukwekkend. Een Plancius vol Natuurpunters, op een Odyssee van zuid naar noord. Door de Noordzee, via Jan Mayen naar de Noordelijke IJszee. Golven, water, ijs. Machtig mooi. Ongerepte natuur of een continent dat op smelten staat? Van Bruinvis naar Jan-van-gent, van Tuimelaar naar Witsnuitdolfijn. IJzingwekkende belevenissen met Orka en IJsbeer. Koningseidereend en Ivoormeeuw boven een bevroren watermassa. Noordelijke Butskop en blubberende walrussen, tussen Zadelrob, Baardrob en Klapmuts. Kirrende kleine Alkjes, Dikbekzeekoet heen-en-weer vliegend naar de kolonie. Blow van Gewone vinvis of rillingen bij een groepje Beloega's. Het werd een ongelofelijke tocht, een ware Odyssee, waarmee Natuur.reizen de toon heeft gezet. Meer, veel meer, én geïllustreerd, vind je in dit reisverslag.

Reisverslag Polen (Oderdelta) (26/10 - 01/11/2013)

Er werden ons Zeearenden, Wisenten, Grote trappen en Kraanvogels beloofd, en we hebben Kraanvogels, Grote trappen, Wisenten en Zeearenden gekregen. Veel van alles. Dit is dan ook de kroniek van een geslaagde vogelreis naar de Oderdelta.

West-Pommeren is een gebied waar oost west ontmoet, een transitiezone tussen Slavische en Germaanse volkeren, een gebied dat historisch voortdurend over en weer verhuisde tussen Duitsland en Polen met af en toe een zijsprongetje naar Zweden, maar dat sinds 1945 definitief (hoewel, met Duisters weet je nooit) Pools is. Een groot deel van de grens (om precies te zijn: 162 km) tussen Duitsland en Polen wordt gevormd door de Oder - met haar 854 km de dertiende langste rivier in Europa - en haar zijrivier de Neisse.

De Oder mondt uit in de Baltische Zee (of de Oostzee, dat zijn dezelfde zeeën) ter hoogte van de havenstad Szczecin (in het Duits: Stettin). Met die monding is echter wel iets speciaals aan de hand. Ze vormt geen delta, zoals bij de meeste rivieren, maar een haf. Een haf is een groot meer waarin een rivier uitmondt, dat aan zee ligt maar van die zee is afgesloten door een schoorwal, een smalle landtong die bestaat uit aangeslibde zeeklei. Een haf waarin geen rivier uitmondt bestaat ook, maar dat noemt dan een lagune. Haffen vind je een beetje overal ter wereld maar de Oostzeekust heeft er maar liefst vijf, wat ze de haffenkust bij uitstek maakt.

Maciej Sobieraj, welbekend onder de Gentse vogelaars, komt uit West-Pommeren en wil daar ooit eens terugkeren om iets uit te bouwen in ecotoerisme. Het organiseren van deze trip was voor Maciej dan ook een goede gelegenheid om eens uit te testen of hem dat wel ligt, een bende natuurliefhebbers op sleeptouw nemen. En voor ons was het uiteraard een prima gelegenheid om dat stukje Europa wat beter te leren kennen.

Zaterdag 26 oktober: Grote Trappen en Wolven in groot Berlijn

Vandaag was een reisdag waarin we 700 km overbrugden tussen Gent en Bad Belzig, een stadje 80 km ten westen van Berlijn. Overnachten deden we in Ferienpark Hohenspringe, een Duits bungalowpark midden in de bossen dat nog duidelijk uit de communistische periode stamt. Spartaans maar correct. In deze bossen komen opnieuw Wolven voor, roedels die afkomstig zijn uit de nog veel grotere Poolse bossen. Alvast de uitbaters van het Ferienpark zijn zeer opgezet met deze nieuwkomers, getuige de vele posters die ophingen en de documentatie die we uitgedeeld kregen over de Wolven in het gebeid.

Als iedereen toegekomen was, maakten we nog een korte avondwandeling in Belzinger Landschaftswiesen, één van de leefgebieden van Grote trap in de buurt van Berlijn. Hier leeft een groepje van een vijftigtal trappen, waarvan we er een vijftiental te zien kregen tijdens de avondwandeling. Onderweg zaten er hier en daar kleine groepjes Raven te foerageren op de kale akkers, een beetje zoals de Zwarte kraaien bij ons. Die laatste ontbreken vanaf hier trouwens volledig: ze zijn vervangen door Bonte kraaien. Alles wat vliegt en zwart is en niet te groot of te klein is, is hier een Roek. Best gemakkelijk!

Zondag 27 oktober: een heuveltje met zicht op Szczecin

Een ochtendwandeling in de bossen rond het Ferienpark was goed voor Goudvink, Appelvink, Goudhaantjes, Ree en Edelhert. Jammer genoeg kwamen we geen Wolven tegen: het kan, want ze zijn al gesignaleerd in het Ferienpark, maar de kans is klein. Alvorens de laatste 300 km tot het Oderhaf aan te vatten, trokken we nog eens richting de trappen, maar deze keer vanuit een ander, hoger gelegen punt dan gisteren. De groep werd vrij vlug gelokaliseerd, we telden 41 dieren. Wel ver, dit was telescopenwerk. De trappen verblijven van oktober tot maart in de koolzaadvelden, waar ze zich tegoed doen aan de vorstbestendige bladeren. Er waren nogal wat mensen in de groep die er maar niet over konden dat die beesten zich in zo’n banale akkers en weilanden ophielden: ze hadden echt iets meer steppeachtigs verwacht. Nochtans, in de ANWB Vogelgids staat het duidelijk vermeld: ze komen bij voorkeur in steppen voor, maar ook in uitgestrekte akkers wanneer er geen of weinig verstoring optreedt.

Onderweg naar Szczecin vlogen er twee adulte Zeearenden over de autosnelweg: een leuk welkomstcomité. Vlak na de grens stonden Maciej en Martha ons op te wachten. Na de lunch troonden ze ons mee naar het Miedzyodrzem natuurreservaat. Een kleine heuvel met zicht op Szczecin vormde een uitstekend uitzichtpunt, van waar we Klapekster, twee mannetjes Goudvink, een paar Appelvinken en een vlucht Toendrarietganzen konden waarnemen. Een zoektocht in de bossen naar Everzwijnen leverde geen zwijnen op, wel een Middelste bonte en een Zwarte specht, die lang rond onze oren bleef draaien.

Onze uitvalsbasis voor de komende vier dagen was Pensjonat Pod Lasem in Stepniczka. Niet echt een pensionnetje, maar eerder een groot huis met zeer veel slaapkamers en één gemeenschappelijke keuken. Vanop de oprit kon je Raven en Appelvinken zien overvliegen: niet slecht als basisstek voor een bende vogelaars.

Maandag 28 oktober: storm Christian trekt voorbij

Vandaag stonden de Oderpolders in de buurt van Stepniczka op het programma. Vandaag was echter ook de dag van storm Christian, die in België flink wat schade veroorzaakte maar in Polen vrij braaf bleef. Hij zorgde ’s ochtends wel voor wat regen. Maar niet alleen de regen was van de partij, ook drie Zeearenden en een Ruigpootbuizerd maakten hun opwachting. Verder zorgde Jeroen voor het obligate vastrijden (een klassieker op een uitstap van de vogelwerkgroep) op een stukje weg dat voor de laaghangende, energiezuinige auto’s van Jeroen en Frank eigenlijk niet te doen was.

In de namiddag stond een rustige wandeling in het Czarnocin plantenreservaat en de aanpalende Skoszewskie weiden ten noorden van Stepniczka op het programma. Czarnocin herbergt interessante soorten zoals Gagel, Koningsvaren, Rietorchis en - vooral - het welriekend Bizongras, een onmisbaar ingrediënt voor Zubrowka, de beste wodka ter wereld (met dank aan Philippe voor de tip). Een Ruigpootbuizerd en een biddende Klapekster waren de hoogtepunten in de weiden. Vanop een uitkijktoren zagen we Toppers en een Parelduiker dobberen op het Oderhaf, terwijl Brilduikers voorbij scheerden. In het riet zaten Baardmannetjes te zingen, terwijl er vlakbij op het water Wilde en Knobbelzwanen dobberden. Op het einde van de wandeling werd de lucht dreigend - Christian, weet je wel - terwijl de zon volop bleef schijnen, wat voor prachtig licht zorgde. Dat was nog niets vergeleken met het lichtspektakel dat we vlak voor het invallen van de duisternis op het strandje en de pier van Stepniczka geserveerd kregen. Bij het terugkeren van ons stamrestaurant Gospoda hadden de voorste auto’s het geluk om een Boommarter te vangen in hun lichten.

Dinsdag 29 oktober: de Oostzeekust en bootje varen op het haf

Szczecin ligt aan de zuidkant van het Oderhaf. Hoewel het een belangrijke haven is, ligt Szczecin echter niet aan zee. Het echte kuststadje van de Odermonding, de plaats ook vanwaar de ferry naar het Zweedse Ystad vertrekt, is Świnoujście. Een ochtendwandeling in de buurt van het haventje was goed voor veel Bonte kraaien, twee Zeearenden, een Oeverpieper, een groepje van tien Sneeuwgorzen en eentje van negen Fraters, Middelste zaagbek en drie Bonte strandlopers. Van zowel zeetrek als gewone trek was er niets te merken: de wind zat niet goed.

In de namiddag stond er een boottocht op de Świna vanuit de Marina van Karsibor op het programma. De Świna watert ongeveer 75% van het Oderhaf af naar de Baltische Zee. We waren nog maar pas vertrokken en er zat al een prachtige adulte Zeearend te poseren op een stukje rots dat net boven het ondiepe water uitstak. Een prima begin, dat een dito vervolg kreeg met nog drie Zeearenden, een Slechtvalk en een Havik en zeer veel Grote zilverreigers. Frank had nog maar net gezegd dat er hier meer Grote zilvers dan Blauwe reigers zaten, toen we na een bocht in de rivier een groep van zo’n een 160 Blauwe reigers zagen. Indrukwekkend. Verder noteerden we nog Grote zaagbek, Toppereend, Grote mantelmeeuw, Toendrarietganzen en Grauwe ganzen, en roepende Baardmannetjes in het riet.

Ik had het hierboven al vermeld: een reis met de vogelwerkgroep is niet gelukt als we ons niet minstens één keer vastgereden hebben. De kapitein vond dat blijkbaar wel een goed idee, want op het einde van de boottocht zijn we vastgevaren in de modder van de Świna. Het heeft een dik kwartier wrikken en manoeuvreren gekost maar we zijn er toch wel weer op eigen krachten, vlot uit geraakt. Reden genoeg om er een fles wodka op te kraken. Met muntsmaak, het is eens iets anders.

We sloten de dag af in het zeggenweidereservaat van Karsibor, dat de meest westelijk populatie van Waterrietzanger ter wereld herbergt. Waterrietzanger hebben we er uiteraard niet gezien (die zaten al allemaal in Afrika), wel een mooi mannetje Blauwe kiekendief dat traag langs zeilde.

Woensdag 30 oktober: wel Wisenten, geen Dwerguil

Vandaag reden we 100 km naar het zuidoosten richting Miroslawiec, in de hoop Wisenten te zien. Wisenten zijn Europese bizons en echte bosbewoners. Net als zijn Amerikaanse neef werd de Wisent in het wild uitgeroeid, in 1921 om precies te zijn. Gelukkig leefden er toen nog 56 dieren in gevangenschap waarmee een fokprogramma opgezet werd. In 1952 werd de eerste groep Wisenten losgelaten in het mythische oerbos van Białowieża in Oost-Polen. Vandaag lopen er opnieuw een duizendtal vrij rond in Polen, waarvan een honderdtal in West-Polen.

Maciej had voor een gids gezorgd, één van de mensen die betrokken is bij het opvolgen van de Wisenten. Het bleek dat we geluk hadden, want de beesten hadden om een niet zo duidelijke reden net de bossen verlaten om in de akkers en velden te foerageren, iets dat ze eigenlijk niet zo vaak doen. De gids wist een groepje van negen dieren staan aan de rand van de weg, het was dan ook een fluitje van een cent om ze te vinden. Heel grappig was een groep Spreeuwen die rond de Wisenten foerageerde. Lang zonder echt te interfereren, maar plots begonnen ze rond de kudde te cirkelen, tot duidelijk ongenoegen en onrust van de kalfjes. Wikipedia zegt dat Wisenten stevige dieren zijn met een korte, brede kop en een hoge rug, maar dat is een zwaar understatement. De stieren zijn regelrechte Jerommekes van een kleine ton zwaar en een twee meter hoog. Behoorlijk indrukwekkend en niet een dier dat je op jou af wil zien stormen.

Na het eerste groepje gingen we op zoek naar een tweede, grotere groep die ook in de buurt zat. Die zou wel wat moeilijker te vinden zijn, dacht de gids, tot hij zijn verrekijker pakte en… ze een kleine kilometer verder zag staan. Een flinke groep van 44 beesten deze keer. Ik liet mij kwansuis ontvallen dat deze waarnemingen wel een hoog dierentuingehalte hadden, wat mij direct kwade blikken opleverde van twee reisgenoten die in het verleden al veel tijd en moeite gespendeerd hadden om Wisenten te zien, en niet altijd met succes… We hadden blijkbaar veel geluk, voor hetzelfde geld hadden we de hele dag rondgetjoold en bossen afgedweild zonder een bison te zien. Mijn appreciatie voor de waarnemingen schoot meteen een pak hoger.

Vogelsgewijs werd ons beeld achter en boven de Wisenten op tijd en stond vervuild door Klapeksters en Zeearenden - trash, zoals Geert wel graag eens zegt. Een poging om op de terugweg Dwerguil te tapen leverde niets op, ondanks verwoede pogingen van Maciej. We zagen wel Zwarte en Kuifmezen, en Edelhert.

Donderdag 31 oktober: bye bye Polen

Als afscheid hebben we een ander stuk van de Oderpolders afgewandeld. Grote mixed flocks van zangvogeltjes - mezen, Vinken, Sijsjes - in de toegangsdreven waren een prachtige manier om een dag te beginnen. Verder werden we uitgewuifd door wat intussen oude bekenden geworden waren: Baardmannetjes, Zeearend, Klapekster en Ruigpootbuizerd. Wat een luxe.

Vlak voor de Duitse grens hielden we een shoppingstop aan een mega Auchan. De meesten onder ons hadden immers nog een pak zloty’s over en waar kan je dat beter aan besteden dan aan een bescheiden wodkavoorraad? Op de parking van de Auchan voegden we zowaar nog een soort toe aan onze lijst: twee Kuifleeuweriken zorgden voor het Poolse afscheid.

Onze volgende bestemming was Linum, een stadje in de buurt van Berlijn dat zich profileert als ooievaarsstad en vooral als de belangrijkste stopplaats van trekkende Kraanvogels in West-Europa. Als wij er waren stond de teller op 68.000 stuks. We hebben ze uiteraard niet allemaal gezien, maar bovenop de Kraanvogels noteerden we nog zeven Rode wouwen, Kolgans, Toendrarietgans, Grauwe Gans, Baardmannetjes en (om het af te leren) twee Zeearenden. Overnachten deden we in Hotel am Rhin in Fehrbellin.

Vrijdag 1 november: back home, én trappen

’s Morgens konden we bij het krieken van de dag het fantastische spektakel van de wegvliegende Kraanvogels bewonderen. Na het ontbijt en het uitchecken ging de reis richting Buckov, een ander trappengebied in de buurt van Berlijn, net boven Brandenburg. Nog voor we in Buckov aankwamen hadden we prijs: in Buschow zat een groep van 24 Grote trappen, waaronder enkele ferm opgewonden mannetjes die niet echt baltsten, maar toch hun ornaat lieten zien. Een plaatselijke wandelaar was zo vriendelijk om ons te wijzen op een jachthut die via een dichte haag een goed zicht op de trappen zou kunnen geven zonder de dieren op te schrikken. Een beetje tegenlicht en wellicht een portie luiheid bij de andere deelnemers maakte dat ik de enige was die zijn kans waagde. Ik had wel wat last met de deur van het jagershutje die tot groot jolijt van de telescopende medereizigers tegen mijn gezicht dichtsloeg, maar ik ben wel teruggekeerd met goede dichte foto’s van Grote trappen. Verder kregen we nog wat aanmoedigingspremies in de vorm van een twintigtal Reeën en wat Blauwe kieken vooraleer we de 700 km back home aanvatten.

Maciej, Martha: nen dikken merci!

Guy Huylebroeck

Reisverslag Altai (16/06 - 02/07/2013)

De Vogelwerkgroep Gent+ heeft iets met de vroegere Sovjet-Unie. Het begon in 2009 met een reis naar Oekraïne. In 2010 volgde het serieuzere werk: Mirnoe in Midden-Siberië, langs de majestueuze Jenesei. Dan viel het wat stil, en dat had veel te maken met de moeilijkheidsgraad om de reis van 2013 georganiseerd te krijgen: de Altai, een bergketen op de grens tussen Rusland, Mongolië, Kazachstan en China.

Vertrouwd maar toch verschillend

Er zijn een aantal goede redenen waarom we zo graag naar het Oosten trekken. Om te beginnen willen we met de Vogelwerkgroep streken verkennen waar je alleen niet of nauwelijks geraakt (tenzij je een onbeperkt budget hebt). Scandinavië, Noord-Afrika en Zuid-Europa vallen om die reden af. Bovendien bleek uit een rondvraag dat de meesten toch liever ergens naartoe gaan waar ze nog enige houvast hebben: ergens waar je de ANWB Vogelgids van Europa nog kunt gebruiken, hoewel niet alle soorten die we kunnen zien er in moeten staan. En dan is Rusland ideaal: heel wat van de specialere soorten uit de ANWB kan je daar gemakkelijk zien, en van de soorten die niet in de ANWB staan, ken je op zijn minst toch de familie waartoe ze behoren.

Practicalia

We vertrokken op zaterdag 16 juni 2013 met zijn tienen vanuit Zaventem richting Barnaul, met een tussenstop in Moskou. Barnaul is een stad in Zuid-Siberië met 600.000 inwoners en ligt op een 300 km ten zuiden van Novosibirsk, de hoofdstad van Siberië (1,5 miljoen inwoners). Onze reisorganisator was Rubythroat Birding Tours. Op 2 juli was het gedaan met de leute, want dan waren we terug in België.

Het is niet omdat we met tien mensen vertrokken, dat we de reis met zijn tienen gemaakt hebben. In Barnaul werden we immers opgewacht door twee chauffeurs, een kokkin, een manusje-doe-alles en een gids. En ze mocht er zijn, onze gids. Kersverse doctor in de biologie, slank, blond haar tot op de bips, behulpzaam, vriendelijk, sympathiek, kende haar vogels, vrouw en niet beschaamd het te tonen: Elena Shnayder. Kwart Duits, kwart Chinees, half Russisch en helemaal OK.

Twee chauffeurs, dat betekent twee auto’s. Een GAZ-66 4x4 vrachtwagen voor de mensen en een UAZ-69 jeep voor de bagage. GAZ staat voor Gorkovski Avtomobilny Zavod en is een Russisch automerk dat wellicht het best gekend is van zijn Volga luxeauto’s. De GAZ-66 was het werkpaard van het Russisch leger en werd geproduceerd tussen 1966 en 1999. Beide auto’s waren betrouwbaar en brachten ons zover een auto ons kon brengen, maar ze waren traag: tegen een gemiddelde van 70 à 80 km/u duurt het een tijdje om 400 km af te leggen.

Overnachten deden we overwegend in tenten, behalve in het begin en aan het eind van de reis. Er was ook een grote, ruime eettent mee en zelfs een HUDO tentje. We hebben het doorgaans droog gehouden, behalve in de hoge bergen (2.500 - 3.000 meter), wanneer regen juist het meest pijn deed natuurlijk. Op grote hoogte hadden we trouwens ook sneeuw en nachtvorst.

Nog één praktisch detail: tussen Rusland en Mongolië zijn er maar drie grensovergangen (vier als je de Trans Siberische Expres er bij rekent) en in West-Mongolië is er maar één: die van Tsagaan-Nuur. Praktisch gevolg is dat je lussen maken, kan vergeten: onze reis was een aller-retour.

Rusland

Onze vertrekplaats Barnaul - hoofdstad van de Altai Kraj - ligt nog pal in de West-Siberische vlakte en is met zijn 200 meter hoogte maar een verre aanloop naar het Altai gebergte. Barnaul ligt aan de Ob, die met zijn 5.400 km de zevende langste rivier ter wereld is en de tweede in Rusland, na de Jenesei. De vloedvlaktes van de Ob zijn een goede plaats om één van de meest illustere vogels van dit deel van Azië te zien: de Siberische snor. Illuster, want als je hem te zien krijgt dan is dat in een flits. Zo was het ook bij ons, de Siberische Snor is immers een skulker (= geniepige sluiper) par excellence.

Het Altai gebergte begint pas echt aan de Seminskyi pas, zo’n 300 km ten zuiden van Barnaul. De pas, die op 1.800 meter het serieuzere werk aankondigt, was onze eerste en onze voorlaatste slaapplaats (chaletjes van het skigebied op de pas). Het gebied was meer dan de moeite waard. De bossen van zware Siberische sparren met korstmosbaarden op hun takken, zijn het jachtgebied van de Oeraluil. Een wijfje Haakbek liet er zich vanop twee meter bewonderen en er baltsten Siberische snippen boven de weides. Andere goede soorten waren Bruinkopmees, Sakervalk, Mongoolse buizerd, Zwartkeelheggenmus, Siberische boompieper, Bruine en Raddes boszanger, Roodkeelnachtegaal, Blauwstaart, Taigagaai en Pallas’ roodmus. Ook voor bloemen was dit een bijzondere plaats, met weides vol trollius, gentiaan, iris, helmbloem, sleutelbloem en longkruid, en vooral Altaiviooltjes, één van de voorouders van ons Tuinviooltje.

Niet zo ver van de Seminskyi pas ligt een andere pas: Chike Taman. In het heengaan zijn we er maar heel kort gestopt, maar in het terugrijden hebben we er wat langer halt gehouden. Blauwe nachtegaal, Humes bladkoning, Raddes boszanger en Boskoekoek waren de beste vogelsoorten, terwijl de plantenliefhebber van het gezelschap zich kon tegoed doen aan soorten als Gevlekt venusschoentje en Turkse lelie.

Na Chike Taman rijd je door uitgestrekte groene valleien, omringd door bergen met Siberische lorkenbossen op de flanken die stilaan overgaan in de drogere Chuya steppe in het zuiden van de republiek Altai. Een goede plaats voor roofvogels zoals Keizerarend en Monniksgier, maar ook voor zangvogels zoals Weidegors en Rotsgors.

Onze Russische uitvalsbasis was Tujariik, een soort camping met traditionele joerten en genoemd naar het riviertje dat er langs stroomt. Een joert is een ronde vilten tent die traditioneel gebruikt wordt door de nomadische volkeren van Centraal-Azië. En dat zijn vooral Kazakken, Kirgiziërs en Mongolen. Het gebied waar wij heen trokken, wordt bewoond door etnische Kazakken, zowel aan de Russische als aan de Mongoolse kant. Echt verwonderlijk is dat niet, want wij bevonden ons min of meer op de kruising tussen Rusland, Mongolië, China en Kazachstan. Aan de Russische kant zag je behalve Kazakken natuurlijk ook heel wat mensen met Kaukasische trekken: in zekere zin kan je zeggen dat de Russen het volledige Russische grondgebied gekoloniseerd hebben en vermengd met de oorspronkelijke bevolking wonen. Om terug te komen op Tujariik: de plaats rond de camping was op zich al de moeite. Het krioelde er van de Altai fluithazen, vlakbij de camping zat een Bonte tapuit met nest en kwamen er regelmatig Daurische kauwen piepen wat er mee te pikken viel. De bosjes langs de Tujariik en de Chuya (waar de Tujariik in uitmondt) waren bijzonder rijk, met leuke soorten zoals Langstaartroodmus, Taigavliegenvanger, Azuurmees, Grote roodmus en Witkruinbuidelmees.

Tujariik ligt op een boogscheut van Kosh-Agach, een stadje van 10.000 inwoners dat aan het eind van de 19de eeuw gesticht werd als handelspost met Mongolië en China. Kosh-Agach ligt in de regenschaduw van de Altai is daarom de droogste stad van Rusland, wat niet wegneemt dat we er regen gehad hebben. Vanuit Kosh-Agach kan je de bergen intrekken: bijvoorbeeld naar de bergen rond Beltir, een dorpje dat in 2003 door een aardbeving van de kaart geveegd werd en waar we Père Davids Sneeuwvink zagen. Of naar de Tabozhok vallei, een plaats die ons zo beviel dat we er twee maal geweest zijn, waar we op zoek naar Altaiberghoen op een broedende Morinelplevier stootten - een voor de streek tot nu toe onbekende broedvogel. Hier zaten we tegen de 3.000 meter aan, wat zich vertaalde in typische hoogtesoorten zoals Hodgons bergvink, Eversmanns roodstaart en Witkruinroodstaart. Andere goede soorten hier waren Lammergier, Roodkeellijster, Himalaya heggenmus, Grote roodmus, Steenboszanger en Goudlijster.

Tenslotte trokken we vanuit Tujariik ook naar de bergen rond het Kindiiktiikulmeer, pal op de grens met Mongolië. Het toendralandschap rond het meer wemelde van de Citroenkwikstaarten en op het meer zelf dobberden Parelduikers, Indische ganzen en Stejneger zee-eenden. Op een eilandje in het meer broedden verschillende koppels Moerassneeuwhoen. Een tocht diep in de bergen leverde behalve veel regen ook Steenarend, Sneeuwgier, Brandt’s en Roze bergvink en Himalaya heggenmus op. Ook voor zoogdieren was dit een goede plek: we zagen verschillende Altaimarmotten en een vrouwtje Siberische steenbok met jong.

Mongolië

Het verschil tussen de Russische en de Mongoolse kant van de Altai is opmerkelijk: hier zijn geen bossen meer (bomen zie je hier en daar langs rivieren maar ze zijn zeldzaam), wel een oneindig voortrollende steppe in de valleien, af en toe onderbroken door een meer, en met bergen rondom als achtergrond. Mooi. Maar voor je aan al dat fraais geraakt moet je eerst de grens over. En dat is geen cadeau. Reken maar dat je het grootste deel van een dag kwijt bent met de grens over te steken. Intussen zeilt er wel eens een Steppearend over of staat er een Parrygrondeekhoorn (ook wel Eversmanns Souslik genoemd) op uitkijk, maar voor het grootste deel is dit gewoon saai wachten en gefrustreerd raken.

Nadat we aan de douane ontsnapt waren, reden we nog door tot een vallei waar we Mongoolse Steppegaai zouden moeten zien. Bij aankomst werd het donker, de steppegaai was dus iets voor de dag er op. Na twee uren steppe afkammen - daarbij om de oren gevlogen door Steppehoenen, en met veel Daurische klauwier in de erwtenstruiken (Caragana) - vonden we wat we zochten: een koppel met twee juvenielen. Verder ook nog Sperwergrasmus, Mongoolse woestijnvink en de enige Bruine klauwier en Baardpatrijs van de reis.

De rest van onze tijd in Mongolië spendeerden we rond twee meren: Achiit-Nuur en Khar-Us-Nur. Rond Achiit-Nuur zaten er - behalve een heleboel water- en rietvogels die we bij ons ook kennen - leuke soorten zoals Aziatische grijze snip, Zwaangans, Pallas’ rietgors en (voor een paar gelukkigen) ook Witbandzeearend.

Khar-Us-Nuur was dan weer een prima plek voor Koslow heggenmus, Woestijngrasmus en Mongoolse leeuwerik. Een zoutmeer in de buurt leverde behalve waanzinnige variaties en vormen van sprinkhanen ook prachtsoorten als Relictmeeuw en Steppeplevier op.

En wat brengt de toekomst?

Volgend jaar trekt de Vogelwerkgroep Gent+ naar Spitsbergen, maar voor 2015 zien we het helemaal zitten om onze ontdekkingstocht van Rusland voort te zetten. Ergens in de Arctische toendra wellicht, de monding van de Lena of nog oostelijker. In voorbereiding, maar als je interesse hebt: laat maar weten, dan houden we je op de hoogte.

Guy Huylebroeck

Reisverslag Cape Town, Neumayar en Punta Arenas (30/11/2012 - 12/01/2013)

Zaterdag 12 januari 2013

Op de Bouvet-dag na, was vandaag de beste dag van de trip. Niet op vlak van vooruitgang want we zitten al de ganse dag vast. Vannacht was er ook een kortsluiting en sprong er een raam op de brug. Pech alom. Maar de plek waar we vastliggen is super: drie Antarctische dwergvinvissen, twee Weddellzeehonden, vijf Krabbeneters, een groepje Keizers, wat Noordse sternen, Sneeuwstormvogels, enkele Zuidelijke reuzenstormvogels. Ster van de dag was echter een Zeeluipaard. Op zich gaan niet meer overstag voor deze topper (we zagen er intussen al 13) maar deze was buiten categorie. Rond de middag werd ie voor het eerst gespot. Niet te ver, niet te dicht, maar rond een uur of 5 kwam hij toch eens poolshoogte nemen en hobbelde hij richting Polarstern. Minimum afstand tot het schip: 0 meter. Das is Wahnsinn! Vooral als het beest zijn muil opendoet gaat het aan alle kanten van ‘Gans toll’, ‘Zuper’, ‘Wünderbar’ en meer van dat fraais. Op zich was deze waarneming alleen al de ganse trip waard.

België lijkt intussen nog veraf. Nu en dan eens op de webstek van de VRT gekeken maar echt veel nieuws viel er niet te rapen. Bart Vanden Bossche is dood (geen heuveltjes van Erika meer), er werd voor het eerst een levende Reuzeninktvis gefotografeerd (ergens voor de kust van Japan), het was wekenlang te warm en te nat in West-Europa en Bart De Wever was niet opgezet met de kersttoespraak van koning Albert. Dat moet het zo wat zijn. Hoe het Nys, Albert, Pauwels en co is vergaan in het cyclocross, is me ontgaan.

De doop staat normaal ingepland op zondag of maandag (hebben we via onze spion uit het kamp van de dopers vernomen). Vannacht worden de deuren van Olaf en Annette verzegeld door het NCF. Gisteren werd hen ook al een dreigende videoboodschap toegestuurd. Aan de prikborden hangen de mogelijke haarsnits die Tolle Flocke (de kapster van Neptunus) in petto heeft. Dat wordt afzien. Door de dopers werd inmiddels een shortlist opgemaakt van diegenen die een speciale behandeling moeten krijgen. Kwade tongen beweren dat ik bovenaan de lijst zou staan maar dat lijkt me niet mogelijk. Ik ben de ganse trip de goedheid zelve geweest.

Donderdag 10 januari 2013

De laatste dagen draait alles om de doop. Beide kampen (de dopelingen en de gedoopten) vergaderen vlot. Bij de dopelingen zijn er twee groepen: diegenen die Neptunus willen behagen (en daarmee hopen op een milde behandeling) en diegenen die Neptunus willen uitdagen (met een ruige doop als mogelijke straf). Het eerste kamp heeft in de Red Saloon een altaar voor Neptunus gemaakt waar iedereen zijn offers kan brengen (vooral bier en champagne). Er wordt ook een dansje ingestudeerd op Emiliana Torini’s Jungle Drum (het thema van de doop is immers Jungle Camp). Kamp 2, de Neptune Counter Forces (NCF) pakt het anders aan. Aan de deuren van de dopers worden dreigende boodschappen gehangen (die ook geniepig in de powerpoints van de chief scientist worden ingevoegd), er wordt een suggestieve maar niet mis te verstane videoboodschap rondgestuurd en op de dag voor de doop gaat het NCF over tot harde acties.

’t Is een onnozelheid, zo groot of het is, maar het brengt heel wat animo met zich mee. Na de doop, is er een feest, voor de nieuwe zonen en dochters van Neptunus. Maar net daarvoor spannen de nieuw gedoopten vaak alle krachten samen om in de gauwte weervraak te nemen op Neptunus en zijn kornuiten. Dat wordt vast een zootje ongeregeld. Maar goed: ’t is goed dat de doop er is want hier in het ijs hebben we het intussen echt wel gezien.Genoeg Weddell Zee voor de rest van mijn leven. Niet dat het niet schoon is, verre van, maar voor een hoge vogeldiversiteit ben je hier echt aan het verkeerde adres.

Intussen gaat de expeditie ook snel naar haar eind. In de avondmeetings gaat het almaar meer over de terugvluchten, de cruisreports die nog moeten worden geschreven, het weer in Duitsland en meer van die Heimatpraatjes. Voor sommigen is het al weken aftellen. Wei kan zelfs zeggen hoeveel seconden nog voor hij weer thuis zal zijn. Hoe het ook zij: voor iedereen is een dergelijke trip een indrukwekkende ervaring en een ongelofelijke kans om in een stuk van de wereld te kunnen komen waar anderen alleen maar kunnen van dromen.

Maandag 7 januari 2013

Deze morgen was er een radiobabbel met Kürt Rogiers en Sven Ornelis gepland. Het ging niet helemaal vlekkeloos maar die kerels zijn zo professioneel dat ze er altijd wel iets van brouwen (denk ik).

Vandaag was de dag van de trage vooruitgang. Zoals gevreesd, ontbindt de Weddell Zee haar duivels: metersdik ijs bedekt door een even dikke sneeuwlaag, 9 Bf sneeuwstorm en een zichtbaarheid van nul komma nul; een ijzige nachtmerrie. Er wordt gevaren op het gevoel maar echt ver brengt dat ons niet. Polarstern rijdt zich om de haverklap vast, ijsbreker of niet. Op de brug staat de deur open en de wind giert uit het noordoosten. Op zich is het niet zo koud (een graad of - 5 °C) maar door de wind ligt de windchillfactor op - 25 °C en dat is toch eerder aan de frisse kant. De kapitein, de eerste officier en de chief scientist staan, samen met de weerman en de navigation officer, op de brug. Ze ijsberen wat. Niet dat er veel paniek is: je moet toch alles nemen zoals het komt en het is wat het is. Voor elk probleem is er volgens de kapitein een oplossing. Er wordt besloten om het schip vrij te wiebelen. Aan de megakraan op het achterdek wordt een gewicht van 12 ton gehangen dat van bakboord naar stuurboord wordt geslingerd. Tegelijk gaat ook alle ballastwater van links naar rechts en millimeter per millimeter wringt het schip zich vrij … om zich 10 meter verder weer vast te varen. Voor een aantal wetenschappelijke projecten tikt nu kostbare tijd weg. De kans dat één en ander zal moeten worden afgelast, wordt almaar groter.

Deze avond vond de eerste vergadering plaats van de Neptune Counter Forces. Er zit nog niet erg veel schwung in de groep maar het loopt wel los. Zoals het ernaar uitziet, zal er maar eentje verstek laten gaan: alle anderen gaan ervoor.

Intussen komt het eind van deze expeditie snel dichterbij. In de dagelijkse meetings komen de terugvluchten aan bod, het weer in Duitsland, de officiële douanepapierwinkel, de laatste kans om souvenirs aan te kopen, …: vaste items op het eind van elke trip, voor velen geen dag te vroeg, voor sommigen (die best nog enkele maanden langer zouden willen blijven) best jammer. Ik hang wat tussen beide groepen in. Het is mooi geweest en er moet nog heel wat moois komen (Antartisch Schiereiland, Elephant Island, Drake Passage, Straat van Maghelaen) maar 50 dagen zuid is voor mij genoeg.

Donderdag 3 januari 2012

23’ 52” voor de eerste 5 km van het jaar. Kan ermee door. Gisteren kwam Sabine langs. Zij is een leerkracht die polair onderzoek in het secundair onderwijs aan de man moet brengen. Sabine schrijft een blog over haar verblijf op Polarstern. Elke dag wat nieuws, ook al is het de laatste dagen wat moeilijker in de doodse Weddell Zee. Vandaag gaat haar blog over wat mensen hier het meeste missen. De antwoorden op deze levensbeschouwelijke vraag zijn behoorlijk uiteenlopend: Mc Donald's, e-bay, meer plaats in de douche, pizza, donkere nachten, veldrijden op TV, niets, …

E-bay kwam van Wei, de Chinees. Hij is een postdoc die meer geld verdient met het verkopen van babymelkpoeder via e-bay dan met zijn postdoc. Vreemde kerel. Het gros van de dag zit hij in zijn kajuit Duits te studeren. In alles rond hem ziet hij geld: ijsschotsen om exclusief Antarctisch ijs te verkopen voor rijkeluiswhisky, zeehondenvacht, foto’s van ijsbergen. Wei heeft dezelfde shift als ik en staat dus vaak naast mij op de brug, deels in de hoop dat hij als eerste die twee meter grote, uitgestorven pinguïn zal herontdekken. Laat ons hopen dat het hem lukt. Hij zegt dat ik te veel eet, wijzend naar mijn buik. Wanneer ik hem van weerwoord dien door te zeggen dat dat geen vet is maar een deel van mijn hersenen die naar beneden zijn gezakt, antwoordt hij met ‘waw, huge brains!’. Tja.

Overmorgen is mijn 150ste dag op Polarstern. De hoogtepunten zijn legio. Voor deze trip scoren het Zeeluipaard, de vlucht boven Bouvetoya en het ronden van de mega-ijsberg voor Atkabukta het hoogst. Vermoedelijk zal de doop dit rijtje binnenkort wel vervoegen. Grootste ontgoocheling is misschien het missen van de breachende en spyhoppende Antarctische dwergvinvis. Jammer dat niemand ons daarvoor tijdig heeft verwittigd, maar goed, elke trip mis je wel wat.

Intussen groeien de kiemen voor enige muiterij. Sommige dopelingen hebben het plan opgevat om weerstand te bieden. We zoeken nog voor een goede naam. ‘FFF’ (Folke’s Fighting Forces), ‘PRT’ (Polarstern Revolution Team), ‘CAB’ (Committee against Baptism), ‘NPT’ (Neptunes Counter Forces), … we komen er wel uit. In een eerste fase zullen we dagelijkse voordracht van de Chief Scientist saboteren. Die staat op de public en wordt door hem in de Kineraum geopend nadat Harald zijn dagelijks weerpraatje heeft afgerond. Iemand moet dus tijdens de meeting (maar voor Olaf zijn voordracht opent) één en ander veranderen. Morgen beginnen we eraan!

Dinsdag 1 januari 2012

Gisteren een feestje in de helihangar (mooi aangekleed door Vera, Edith en Volke). Een vaste traditie op het schip: rond 23:50 gaat iedereen naar de brug, bemanning en wetenschappers, allen samen. Op klaarlichte nacht wordt er geklonken op het nieuwe jaar, met scheepsgetoeter, wat champagne en kussen allerhande, net als vorig jaar gevolgd door een Happy Birthday-cantate (ik verjaar op 1 januari). Carola had Polarstern rond middernacht min of meer naast een knoert van een saffierblauwe ijsberg geparkeerd. Wat een plaatje! Snow Petrels, Keizerpinguins en Krabbeneters steken hun neus aan het venster en op ieders gezicht staat een onuitwisbare glimlach gebrand van verwondering voor zoveel bevroren planeet.

In de helihangar weerklinkt ‘Sonne’ en ‘Ohne dich’ van Rammstein. Olaf brengt een presentje van de scheepsleiding en Sebastian overhandigt een zelfgemaakte Keizerspinguinplastron. Artisanaal maar wel leuk. Fabian en Karo dansen de sterren van de vloer. Beiden zijn zotte wichten die de ganse groep op sleeptouw nemen. Ik mag ze wel, zeker als hun bloed wat is verdund met alcohol.

Met het keren van het jaar, lijkt plots ook de trip veel sneller naar haar eind te gaan. Je hoort steeds vaker ‘Punta’ vermelden, het eindpunt van deze expeditie. Mijl per mijl komen we dichterbij, maar we zijn er nog lang niet. Vooral het stuk rond Elephant en Joinville Island zou toch nog wat fraais moeten opleveren. Een nieuwe soort of 5 moet kunnen. Ik hoop vooral op Pale-faced sheathbill, die geschifte Zuidpoolkip.

’s Namiddags komt er wat robbenbeweging met mooie aantallen Krabbeneters en twee Rosszeehonden. Eentje zat keurig dichtbij en werd door Florean via de intercom omgeroepen als een Walross. De Kapitein kwam even later op de brug poolshoogte nemen want een Walross in de Weddell Zee leek hem toch vreemd. En ’s avonds was het prijs: een Zeeluipaard, Hydruga leptonyx. Wat een beest! ‘k Had hem van ver zien liggen maar was eerst niet gans zeker. Toch maar gauw Diederik en Raphaël opgeroepen. Vanop Monkey Island was er geen twijfel mogelijk: vierkante snuit, enorme reptielachtige kop, lange voorflippers. Een paar keer sperde hij zijn muil vervaarlijk open richting Polarstern, als wou hij bevestigen dat hij - samen met de Orka - de enige echte toppredator is van Antarctica. Behoorlijk indrukwekkend en een heuse kanjer om mijn verjaardag mee af te sluiten.

Zondag 30 december 2012

Het stuk Weddell Zee waar we nu in zitten is een behoorlijke ijswoestijn. Geen kat te bespeuren. Nu en dan een Snow petrel, wat verweesde Adélie Penguins en dat is het zowat. De Weddell Zee werd voor het eerst bevaren door de Brit James Weddell, in februari 1823. Tweede in de rij was James Clark Ross die in 1843 Snow Hill en Seymour Island op de kaart zette. Voor paleontologen bleek Seymour een schatkist. Een primitief buideldier, een zeeschildpad (40 à 45 miljoen jaar oud) ter grootte van een Volkwagen Kever, een 2 meter grote pinguin, een veloceraptor-achtige dinosaurus: het lijstje van verbijsterende ontdekkingen in de regio is behoorlijk indrukwekkend. Maar voor de rest is de Weddell ZeeAdélies, snel waggelend naar de veiligheid van het water (foto: Alain Debroyer/PolE) vooral één groot vraagteken. Het gebied wordt zelden bezocht omdat het jaarrond in pakijs is gehuld en enkel ijsbrekers zich een weg kunnen banen door dit ontoegankelijk gebied.

We gaan langzaam richting het zuidelijkste punt van de trip. Nu en dan duikt er weer een Keizerspinguin op. Adélies staan in redelijke groepjes op de schotsen. Rare beestjes. Ze zien Polarstern van ver aankomen. Je ziet ze ietwat verwonderd kijken, met het kopje schudden, vleugeltjes slaan, drie stapjes links, vijf stapjes rechts, maar pas op het laatste moment besluit er eentje uit de groep om rap rap rap richting water te hobbelen, prompt gevolgd door al zijn maatjes. De paniek van het allerlaatste moment is best grappig: ze zijn soms zo gehaast om de veiligheid van het water op te zoeken dat ze tegen elkaar opbotsen.

De meest algemene soort in dit  godverlaten stukje wereld lijkt Noordse stern te zijn. Je moet het maar doen: elke zomer in het Hoge Noorden gaan broeden om elke winter af te zakken naar Antarctica en omstreken. Geschifte vogels en de ideale ambassadeur voor Noord-Zuid topics.

Vrijdag 28 december 2012

De 5 km in 22’ 42”. Voor de rest lijkt de Weddel Zee vooralsnog weinig soeps. Carola en Felix slingeren zich langsheen de icefloes, Holger kiest meestal voor de kortste weg: immer geradeaus. Gevolg: behoorlijk wat stampen en drammen, recht op de ijsschotsen in. Nu en dan besluit zo’n ijsschots zich niet zomaar te laten wegdrukken en drukt zich Op de brug gelden de wetten van de navigation officers. Bij Holger zijn dat: deur open, klassieke muziek en stilte (foto: Vincent Legrand/PolE)genoegzaam onder Polarestern waardoor de boot behoorlijk scheef komt te hangen. Holger dus, een besnorde Oost-Duitser, weinig van zeg maar met bakken ervaring. Zijn wacht is er één van tradities: eerst beide buitendeuren open, dan koffie, vervolgens klassieke muziek opzetten en soms rookstok opsteken. Carola haar muzieksmaak is iets moderner: Within Temptation, Placebo, REM maar ook een stevig vleugje jazz.

Intussen is de kogel door de kerk: de doop gaat door! En ’t ziet er naar uit dat het een geanimeerd iets zal worden. Logisch: Neptunus is boos omdat velen onder ons eerder deze maand ongedoopt de zuidpoolcirkel zijn overgestoken. Zo’n doop is ook één van de vele zeemanstradities. Hoofdrolspelers: Neptunus en zijn vrouw Tetis, bijgestaan door de pastoor en een horde aan politiemannen, allen kostumair uitgedost. Vast onderdeel: bezoek aan de kapper. De prijslijst is ietwat bijzonder. ‘Gar nix’ is de duurste snit (57 USD), ‘Wehrmacht’ de goedkoopste (0,50 USD) met tussenin keuzes als ‘Ausrasieren von Nase & Ohren (2,50 USD) en meer van dat fraais. Ook drie glazen zeewater uitdrinken, Neptunus zijn tenen likken, een ‘duivelsbad’ en andere gortigheden horen erbij. Moet dat nu echt? Neen. Wie niet wil, hoeft niet mee te doen, al lijken de meesten er op een rare manier wel naar uit te kijken. Wie niet meedoet, wordt vriendelijk verzocht binnen te blijven. Ramptoeristen niet toegelaten. Na de doop wordt aan elke dopeling een naam gegeven, genre de totem bij de scouts. En - niet onbelangrijk - Neptunus reikt ook een certificaat uit dat bewijst dat je bent gedoopt. Op vertoon van dit ‘officieel’ document, kan je voorkomen dat je in de toekomst nog een keer moet worden gedoopt. Er zijn drie dopen: één voor het overschrijden van de evenaar, één voor de zuidpoolcirkel en één voor de noordpoolcirkel. Wordt ongetwijfeld vervolgd, dead or alive.

Donderdag 27 december 2012

Radiostilte voor enkele dagen. Niet dat we veel zijn opgeschoten: eigenlijk liggen we al sinds 17 december te dobberen op een zakdoek. Het goede nieuws: de bevoorrading van de Duitse onderzoeksbasis liep vlotjes. Zondag trok een pistenbully een ganse slede wetenschappers voort naar de basis. Een ietwat kouwelijke en hobbelige rit van een goeie 20 km maar best wel leuk. De basis blijft indrukwekkend om zien. Zo leeg en kalm het er is in de Antarctische winter - wanneer slechts 9 Duitsers de basis bezetten - zo druk was het er nu, met bezoekende delegaties uit Finland en Zuid-Afrika. Rond de basis fladderen drie Wilson’s Stormvogeltjes. Doelloos, want in de verste verte is er geen broedkolonieDe Duitse onderzoekbasis Neumayer: rots in de branding voor Duits polair onderzoek en hoogtechnologisch neusje van de poolzalm (foto: AWI) aanwezig. Net als vorig jaar leidt een Duitse Schone ons rond. Ook de vragen aan de overwinteraars zijn weer grotendeels dezelfde. ‘Hoe koud wordt het hier in de winter? Vriezen je vinger- en teentopjes er nooit af? Zijn de donkere winterdagen draagbaar? Hoe was het Zuiderlicht? Komen de Keizerpinguins vaak op bezoek?’ Toegegeven: het heeft wat van aapjeskijken in de zoo. Op zich blijft het toch best knap: 9 mensen op een kluitje, ver van alles, donker en koud, 15 maand lang. Ook al worden de kandidaten psychologisch stevig gescreend, toch loopt het nu en dan stevig fout. Van zodra er ééntje niet in de bende past, is het alle hens aan dek om de neuzen weer in dezelfde richting te krijgen. Eén voor allen, allen voor één. Geen plaats voor ego’s. Een ultieme karaktertest.

Op en rond Neumayer is het één en al bedrijvigheid (idem voor Polarstern). Laden en lossen, de klok rond. De wetenschappers wordt gevraagd om de tankwachten voor hun rekening te nemen: met twee een uurtje plaats vatten op een brandstoftank die wordt volgepompt met winterdiesel en kerosine. ’t Stinkt wat, zo boven een vollopende brandstoftank hangen but it’s part of the game.

Wegens tijdsgebrek wordt Neumayer maar één keer bezocht en ook de farewellparty op het ijs wordt geschrapt. Best jammer want vorig jaar was dit toch één van de sociale hoogtepunten. Het contact met de overwinteraars was dit keer dus minimaal, waardoor ook het afscheid niet dezelfde emotionele impact had als in december 2011. Alleen voor Ilse en Karo was het zakdoektijd. Zij verbleven 4 maand op Neumayer. Ilse houdt zich vooral bezig met bioacoustics van robben en walvissen. Dit keer stond vooral Weddelzeehond op het programma. Raar beest: reus van een lijf en dwerg van een kop. Komisch om zien. Voor hen was het afscheid van ‘hun thuis’ best wel heftig. Mooi om zien, hoe mensen zo gauw verknocht geraken aan dit stukje witte wereld.

Hebben we nog iets gezien? Ik had bijna geschreven ‘niet echt’ maar met meer dan 300 Keizerpinguins en wat Weddels rond de boot zou dat wel heel erg verwaand klinken. Intussen ook twee keer Orka’s, in het midden van het ijs. Cool!

Persoonlijk hoogtepunt van de week: met de heli landen op een icefloe. ‘k Had de heli dat al een paar keer zien doen de voorbije jaren en dat leek me wel wat. Toen Olaf vroeg of ik vanuit de heli mee wou zoeken naar een onvindbare mooring, leek me dit een ideale kans. De mooring kwam op onder het ijs en dan is het altijd tricky business. Op de brug is het dan altijd heel erg spannend. Wie de mooring als eerste spot, krijgt een fles champagne. Vera heeft intussen al een frigo vol champagne. Haar zoekbeeld voor bovenkomende moorings is blijkbaar heel erg goed. Hans en ik vonden de mooring dus niet vanuit de heli maar eens het ding gevonden was, werd de heli geland op een ijsschots vlakbij zodat we het ding niet meer uit het oog zouden verliezen. Een schitterende ervaring: op een icefloe, in een dichtgevroren Weddel Zee, met een naderende Polarstern: wat een plaatje!

Gisteren heb ik het PolE-project voorgesteld aan alle wetenschappers in de Kineraum. Op zich is dat altijd best wel spannend. Alle andere werkgroepleiders zijn proffen of doctors die zich (vaak decennialang) hebben gespecialiseerd in één topic. Hun kennis over hun vakgebied is dan ook top. Voor ons blijft het echter een vrijetijdsbesteding en is het altijd wat afwachten hoe zo’n voordracht door de groep zal worden ervaren. Maar het ging heel erg goed. Als mensen (incl. de chief scientist) achteraf in je kajuit speciaal langskomen om te zeggen dat ze erg hebben genoten van de voordracht, doet dat deugd.

Zaterdag 22 december 2012

We zijn er! Atkabukta, de baai van Atka (in het Noors). Gisterennacht was één van de meest indrukwekkende ooit. Urenlang heeft Polarstern zich een weg gebaand langsheen een ijsberg van 11 op 18 km, ruim 50 meter uitstekend boven de zeespiegel (en 350 meter eronder). Op zich zijn ijsbergen altijd machtig mooi, maar als je er op een paar meter langs glijdt is dat gewoon ‘waaw’. Lazuliblauw ijs, druipende stalactieten, blokken van 5 meter ijs die krakend begeven onder de kracht van Polarstern, 4 uur ’s ochtends en iedereen die op de brug staat. Hoe vaak je dit ook al hebt gezien, het blijft machtig mooi. Iedereen is moe maar niemand gaat slapen. IJskijken lijkt een soort verslaving, sterker dan eender welke drug en onmogelijk om van af te kicken…

Keizers van het ijs (foto: Hans Verdaat)Achter de ijsberg ligt Algulhas in een klein plasje open water. Aan de rand staan een goeie honderd Keizers, alsof ze de wacht houden bij het schip. De dynamiek in zo’n groepjes is hilarisch. Doet de ene niks, dan de anderen ook niet. Durft er één een poot te verzetten, dan schuift de ganse horde een pootje op. En slaat er één aan het hobbelen, dan hobbelt de ganse rits er achteraan. Het blijft wachten tot wanneer er eentje gaat vliegen. Nu en dan nemen ze een duik in het plasje rond de Zuid-Afrikaanse boot. Just for the fun of it, voor een kwartiertje of zo. En dan start het ‘aan land wippen’. Eén voor één, uit het niks: poink! Met een stevige zwiep hupsen ze uit hun ijzig poeltje om als een dikke gummiepop op het ijs een buiklanding te maken. Machtig mooi. De meisjes gaan van ‘wünderbar, gans toll, so komisch’ en meer van dat exclamatoir Duits. Voor Diederik en Raphaël is het ‘shooting time’. Kiekjes maken, van de kouwelijkste vogel op de planeet Aarde.

Katie Melua staat op. ‘If you were a sailboat’, een ijzersterk nummer en zalig om bij in te slapen terwijl de ijsbergen voorbijglijden door de patrijspoort. De kracht van eenvoud. En wat een verschil met het kabaal van Static X dat Carola soms opzet wanneer ze iedereen van de brug wil wegjagen.

Om 15:15 scheepstijd kruipen we in de Mummy Chair. Een rode, vierkante bak, vastgehecht aan een stalen kabel, die door de kraan vanop het helidek op de iceshelf wordt geheven. We zijn er weer, net als vorig jaar: voet aan grond in het ijsparadijs. Het licht is zomerzacht, de pinguins staan te schitteren in hun keurige oberpakjes en alles is zoals het overal zou moeten zijn: perfect. Best of all: tussen de honderden Keizers staat er één kleintje: een donzig grijs schatje met witte kaakjes en zwarte snoet, zo weggeplukt uit een sprookje.

Donderdag 20 december 2012

Nothing happens (twice) and even more stuck in the ice. Vandaag hadden we in Atkabukta moeten zijn maar dat gaat dus mooi niet door. Een ijsverkenningsvlucht bracht geen al te best nieuws: de komende 20 km zit alles potdicht en de spanningsrichels wijzen erop dat de ijsschotsen behoorlijk onder druk staan. Moeilijk dus om door te geraken. De Kapitein loopt er nog steeds vrolijk bij. Voor het schip en de bemanning is er geen enkel gevaar. Ooit komen we hier wel levend uit. Voor een aantal van de geplande wetenschappelijke experimenten ziet het er minder goed uit: de tijd die we de voorbije dagen hebben verloren, moeten we op één of andere manier goedmaken. Makkelijkste oplossing: een aantal experimenten schrappen. Jammer maar helaas.

De meeste vogels uit de wijde omtrek zijn ons al een paar keer komen bezoeken. Deze ochtend stonden een rijtje Adélies nog verwonderd naar zoveel staal te kijken maar naWilson's Stormvogeltjes komen nu en dan bijna op je hand landen, gelokt door hun nagebootst geluiden (foto: Hans Verdaat) enkele uren dropen ze één voor één af. Een Wilson’s stormvogeltje landde op het voordek. Dat doen ze wel vaker. Toen ik het geluid van een Wilson’s nadeed, kwam er eentje net niet op mijn hand zitten (gele webbetjes tussen de teentjes goed gezien). ’t Zijn koddige beestjes, luchtig botsend op de golvend, acrobatisch zwenkend over het ijs. IJs, ijs en nog eens ijs, intussen vier meter dik, bedekt met nog een vijfde meter sneeuw. Algulhas ligt intussen aangemeerd in Atkabuta en is aan het lossen. Zij zijn er dus geraakt, met de hulp van hen gunstig gezinde stromingen. Nu wij nog.

Om de leegte wat te vullen, hebben we vanavond de (vijfde) reeks van Mastermind gespeeld. Elke keer 20 vragen, over van alles en nog wat, vaak met een link naar Polarstern, AWI of polair onderzoek. De Kapitein kon er deze keer niet bijzijn (te druk in zijn poging om te vermijden dat het schip komt vast te vriezen). De hevigste zijn Daniël en Folke. Folke is (redelijk) goed in sport, Daniël in alles behalve sport. Ook op de Natuur.reis naar Spitsbergen zou ik deze reeks wel op het publiek willen loslaten. Even meegeven dat zich intussen al 88 mensen inschreven voor de trip. Het wordt dus gezellig druk en vermoedelijk zal de Plancius nog nooit zoveel vogelaars en andere verrekijkerdragende zielen aan boord hebben gehad (doorgaans gaan vooral oma’s, opa’s en dikke Duitsers mee).

Woensdag 20 december 2012

Still stuck in the ice. We drijven almaar verder west. Go with the flow. Maar het schip zelf is niet bij machte om op te boksen tegen zoveel natuurgeweld. Op zich echt machtig om We zitten nu al drie dagen vast. Het ijs is te dik. Wachten, zoals bij de duiven, tot de wind draait of het ijs smelt. (foto: Vincent Legrand/PolE).zien hoe de natuur hier de wet dicteert, ijsbreker of niet. Polarstern gaat heen en weer, net als in het lied van Drs. P. Maar het is bewegen tegen beter weten in. Elk gemaakt gat sluit zich meteen weer en alles kan van vooraf aan beginnen. ‘k Ben blij dat ik de diesel niet moet betalen die we de laatste drie dagen hebben hebben verstookt. Op een ‘gewone’ dag ligt het prijskaartje van één dag Polarstern op 70.000 euro. Vandaag zal dat misschien wel net iets meer zijn. Maar we zijn niet alleen. De Mary Arctica zit al langer dan ons vast en ook de Algulhas is in Atkabukta al enkele dagen bezig aan een ware processie van Echternach. Benieuwd waar we morgen zullen zitten (mijn gok: gewoon wat verder westwaarts, meegedreven met het ijs).

Nochtans zijn de weersomstandigheden best aangenaam: fraai zonnetje, goede zichtbaarheid, -15 °C (door de windchill) en een landschap om eindeloos te blijven naar staren. Mooier dan eender wat in het Hoge Noorden. Soms heeft het wat weg van een rampgebied, waarbij torenhoge bouwsels in elkaar zijn gestort en alles er finaal verslagen bijligt. Alleen gaat het nu niet om beton maar om waanzinnig grote ijsklompen zo blauw dat het nauwelijks te vatten valt. De intensiteit van het ijsblauw wordt  gedempt door een zachtroze gloed aan de einder. Maar hard of zacht: beiden stralen een gigantische rust uit.

Net kleren bij ‘de Chinees’ gebracht. Die wast alles keurig en de volgende dag krijg je alles netjes gestreken terug. Lang leve ‘de Chinees’.

Dinsdag 18 december 2012

Stuck in the ice. Sinds gisteravond zitten we vast. Het ijs is meer dan een meter dik, de vier motoren draaien op volle kracht, de waterballast wordt verplaatst in het ruim zodat de boot zich kan loswrikken maar er zit te veel druk op het ijs en niks lijkt te helpen. Kapitein Pahl panikeert niet. Been there, done that. De mannen met strepen op hun uniform staan allen op de brug. Er is voortdurend overleg met de machinekamer en alles wordt nauwgezet opgevolgd. We geraken er wel. Vermoedelijk word het wachten tot wanneer het tij keert en het ijs haar grip op het schip ietwat lost. Toch allemaal best indrukwekkend, in the middle of nowhere, omgeven door een eindeloze witte vlakte met enkele Snow petrels als teken van leven.

Vandaag een eerste boek uitgelezen. ‘Abandoned’ van Alden Todd. Een echte aanrader, over de Greely Expeditie van 1881-1884. Met 25 vrijwilligers trokken ze naar Ellesmere Island, aan de noordwestkust van Groenland. Hun leider: Adolphus Washington Greely, een 37-jarige luitenant in het Amerikaans leger. Het schip dat hen na een jaar moest oppikken, moest noodgedwongen terugkeren wegens teveel ijs. Greely en zijn troepen stond een harde winter te wachten, met weinig eten. Maar ook in 1883 liep het fout, toen een tweede reddingspoging faalde omdat de rescuefloat werd verpletterd in het ijs. Greely, die tot dan was gestationeerd in een plek die ze Fort Conger hadden gedoopt, leidde zijn mannen naar het zuiden waar de groep een derde winter probeerde door te komen, nabij Cape Sabine. Hun voedselvoorraad zat er helemaal door, er viel weinig of niks te vangen (op een enkele IJsbeer, een Sneeuwuil, een Raaf en wat Kleine Alken en korstmossen na) en de één na de ander legde er het loodje bij neer. Gewoon verhongerd. Uit pure ellende werden ook slaapzakken en de leren zolen van hun schoenen opgegeten. Zes konden alsnog worden gered, waaronder Greely. ‘Abandoned’ vertelt het verhaal van zelfopoffering, doorzettingsvermogen, kameraadschap en vastberadenheid maar eveneens van kannibalisme, moord, dood en ontbering. Goed geschreven, pakkend, ijzig. OpVandaag hadden we een zeldzame Rosszeehond (foto: Hans Verdaat) ‘Endurance’ en ‘The Worst Journey’ na, het beste poolboek dat ik al heb gelezen.

Net een babbel gedaan met Sven Ornelis. Vanaf 6 januari zal er elke dinsdagochtend in ‘Ornelis en Rogiers’ (Q-music) een item zitten ‘het beest van de week’. Om er zeker van te zijn dat de satellietverbinding OK is, was er vandaag dus een try-out. Ging redelijk vlot dus dat komt wel goed. Eerste beest van de week wordt vermoedelijk de Potvis of een ander kouwelijk wezen.

De 5 km van vandaag gingen in 24’ 57”. We zitten onder de 25’, ’t is al iets. Voor Kerstdag onder de 24 minuten zou leuk zijn. In de namiddag passeerden we de Mary Arctica, een supplyschip voor de Deense basissen op Antarctica. Die zitten al enkel dagen vast en laten zich meedrijven met het ijs. Speelbal van bevroren water. Raphaël haalt er een verre Rosszeehond uit. Knap gevonden. Dit is één van de minst gekende zeehondsoorten. De soort is circumpolair in de Zuidelijke IJszee. Echt goeie schattingen lijken niet voorhanden: wat je vindt in de literatuur schommelt tussen de 100.000 tot 650.000. ’t Is een nekloze soort met een ronde, kegelvormige kop, waardoor het beest toch een speciale jizz heeft. Rosszeehonden steken regelmatig hun kop vrijwel verticaal ophoog, met gebogen rug, opgezette borst en geopende bek. Van dichtbij zijn vaak trillende, koerende en loeiende geluiden te horen. Niet zo bij het beest van Raphaël want die was toch pokkever.

Maandag 17 december 2012

Wat een contrast met gisteren! Toen zaten we nog in het open water van Maud Rice en vandaag is het één en al ijs, zo ver het oog rijken kan. Een gans arsenaal aan zonnebrillen Naarmate de ijsbedekking toeneemt, worden er meer Krabbeneters gemeld. Leuke beesten die fraai over het ijs wobbelen (foto: Hans Verdaat)wordt bovengehaald en de Krabbeneters komen te voorschijn. Niet in grote getale - daarvoor is het ijs misschien wat te gesloten - maar toch bij mondjesmaat. Algemeen beestje (schatting van de totale wereldpopulatie: 50 tot 75 miljoen begin jaren ’80), maar daarom niet minder leuk. Krabben eten ze niet echt, wel krill, vooral ’s nachts. De meesten liggen te zonnen in hun uppie maar nu en dan ligt er een kleintje naast de mama (de jongen worden gespeend tot in december).

Zo snel als we totnogtoe vorderden, zo traag gaat het vandaag. De derde motor wordt ingezet want met twee geraken we niet verder door het ijs. Geen nood: alles lijkt onder controle, ook al lopen we voor het eerst achter op schema.

Net zoals alle vorige keren valt ook nu weer op hoe vriendelijk iedereen is. Schönen Abend, Mahlzeit, Morgen, Bis später, Danke schön, Bitte à volonté. Polarstern is zondermeer een schip waar iedereen zich heel erg snel thuis voelt en da’s echt fijn. Vandaag beginnen de voorbereidingen voor de Kerstviering met een zangstonde in de Blauwe Salon. Voor de bemanning is Kerst vaak een moment om met weemoed aan het thuisfront te denken. Velen zijn al enkele maanden van huis weg en zo’n kerstviering met bijbehorende liederen en evangelische teksten blijkt de gemoederen elk jaar toch weer te beroeren. Mooi, dat zo’n tradities in ere worden gehouden.

Intussen lijken alle stukjes van de puzzel in elkaar te passen. Ons kent ons en er zitten geen vreemde eenden in de bijt. Raul is een grappige kerel. Hij is aan boord als officiële waarnemer voor Argentinië, om te zien of alles wat Polarstern uitvoert binnen de Economic Zone van Argentinië volgens de regels van het internationale spel verloopt. Op zich betekent dit dat hij eigenlijk niks om handen heeft tot wanneer we de Argentijnse wateren binnen varen. Om zich toch enigszins verdienstelijk te maken, neemt hij de ‘ice-watches’ op zich; een grappige bezigheid waarbij om het half uur een schatting wordt gemaakt van de ijsbedekking, de ijsdikte, het type ijs, de sneeuwbedekking en meer van dat fraais. Maar schatten lijkt niet altijd zijn sterkste kant en de estimates zijn eerder guestimates.

Het lopen ging goed met een mooie 25’ 02” voor de 5 km. We zijn er nog lang niet maar ’t gaat de goede kant uit.

Zondag 16 december 2012

Mijn shift gisteravond was mooi. Op zich was er niet zo veel te zien maar de zonsondergang (enkele minuten later gevolgd door de zonsopgang) was indrukwekkend. Een hemel aan het nasmeulen van een hevige brand. Sluimerend rood, alsof het vuur elk moment weer zou kunnen opwakkeren. Met enkel Carola en ik op de brug, in stilte, ogen wisselend van ijsberg naar zon, van zon naar ijsberg, almaar weer. Wolken met gouden randjes. Mooi hoe zoiets simpel kan blijven betoveren. Tegen de zonnegloed vliegt de eerste witte Southern giant petrel voorbij. Het lijkt ernaar alsof er een dresscode bestaat bezuiden 66° Z: iedereen in het wit, ook de Reuzenstormvogels. De meeste soorten hebben we achter ons gelaten. Graad per graad naderen we het bevroren continent, waar slechts een handvol soorten kan standhouden.

Een eerste Keizerspinguin vormt een statige voorbode van het echte Antarctica. Nog vier dagen en we zijn er, in Atkabukta, de aanmeerplaats voor Polarstern. Bij iedereen leeft Snow Petrels, de engeltjes van Antarctica (foto: Jan Haelters/PolE)stille hoop dat we de pinguïnkolonie zullen kunnen bezoeken. Vorig jaar werd deze hoop abrupt de kop ingedrukt door de onfortuinlijke crash van de twee helikopters als gevolg van een white-out. Zo’n white-out is een gekke situatie waarbij lucht en land in elkaar overgaan en alle oriëntatiepunten in het witte niets verdwijnen. Telkens weer een vreemde maar vooral gevaarlijke gebeurtenis. Blijven waar je bent is dan de boodschap. En wachten, wachten tot hemel en aarde weer worden gescheiden door een horizon.

Wat vliegt er nog? Vooral Snow petrels. Leuke beestjes. Engeltjes, lijken het wel, of vredesduifjes, gracieus flutterend boven de ijzige schuimkoppen. Witter dan wit, het zou een goeie promosoort zijn voor één of ander wasproduct. Om het onmogelijk te maken, is er een kleine en een grote soort, onherkenbaar op zee, maar of het nu soorten, ondersoorten of allosoorten zijn, lijkt nog niet definitief te zijn uitgemaakt.

Vandaag voor de tweede keer naar de weging van de weightwatchers geweest. Goed nieuws: 100 gram vermagerd.

Zaterdag 15 december 2012

Gisteren, loopband, 5 km: 25’ 51”, maar veel overschot zat er niet op. Om beneden de 25 minuten te geraken, zal er nog één en ander moeten gebeuren. Maar goed, we maken vooruitgang. Ook leuk: gisteren kwam de Agulhas II langszij gevaren. Aghulas is het Zuid-Afrikaanse onderzoeksschip, op weg naar Sanae, de Zuid-Afrikaanse ‘buren’ van Neumayer. Zo’n ‘meet and greet’ op zee heeft wel wat: iedereen staat buiten, vlaggen van allerhande naties worden bovengehaald, beide Kapiteins laten de scheeptoeter aan het woord en er wordt wat afgezwaaid. Hoe stom het ook klinkt, dat zijn echt leuke momenten.

We varen al een ganse dag in een knoert van een polynia. Deze polynia ligt quasi elk jaar min of meer op dezelfde plek en heeft zelfs een naam: Mount Rice. Voor Polarstern is de aanwezigheid van deze ijsvrije plek een zegen die toelaat om snel door te dringen tot 68° Z, waar het echte pakijs haar opwachting maakt.

Intussen lijkt Diederik op de brug te kamperen. Nu en dan gaat mn Topcom af voor een Antarctische Dwergvinvis. Deze kleine balein is een echte gluiperd: snel, onopvallend, klein en daardoor moeilijk om volgen. Aan dit geniepige gedrag heeft de soort dan ook haar bijnaam te danken: Slinky Minke, de heimelijke gluiperd. Het gaat nog steeds redelijk goed met ‘de kleine’. Hoeveel er nog resten is niet echt duidelijk en oudere schattingen in de buurt van driekwart miljoen zijn vermoedelijk te hoog aangezien wordt vermoed dat de soort er aanzienlijk is op achteruitgegaan de laatste decades. Walvisvaarders lieten de Minkes in de Zuidelijke Oceanen aanvankelijk links liggen en richtten hun harpoenen vooral op de grote jongens. Maar toen het vet van de soep was, nam men ook deze kleine baleinsoort in het vizier. Vanaf 1985/1986 vaardigde de International Whaling Commission (IWC) een moratorium uit in Antarctische wateren. De Jappen vonden dat maar niks en knalden lekker verder onder een dekmantel van vermeend wetenschappelijk onderzoek waardoor het moratorium meer weg had van een mortuarium. Aanvankelijk werd het vangstquotum beperkt tot 400 maar in 2005/2006 werd dit verhoogd naar 935. Intriest. Goed dat er actiegroepen bestaan als Shea Shepherd om de Jappen te verhinderen om dit afschotcijfer te realiseren. Paul Watson (de stichter van Sea Sheperd) heeft zijn plek in het Walviswalhalla in elk geval al meer dan verdiend.

 Vrijdag 14 december 2012

Vandaag is het exact 101 jaar geleden dat de eerste mens op de Zuidpool stond. Die primeur ging naar Amundsen, een Noorse poolreiziger opgetrokken uit walvisbeenderen en ijsbeerpezen. Na wat gefrutsel in de noordelijke wateren, vatte Amundsen de idee op om naar de Noordpool te gaan, maar nadat twee andere avonturiers beweerden dat ze daar al waren geweest, viel daar voor Amundsen niet veel primeureer meer te rapen. De ganse expeditie naar de Noordpool die hij aan het voorbereiden was, had zijn belangrijkste reden van bestaan verloren. Damned.

Nog diezelfde maand veranderde hij zijn plannen radicaal en besloot de pezige Noor naar Antarctica te gaan. Doel: als eerste mens op aarde de Zuidpool bereiken. Deze koerswijziging hield hij echter geheim, behalve voor enkele ingewijden. Pas na zijn vertrek met de Fram in augustus 1910 maakte hij van een tussenstop in Funchal gebruik om zijn expeditieleden op de hoogte te brengen. De meesten waren slechts enkele momenten van het Lam Gods geslagen. Hoewel totaal verrast door de mededeling, gingen alle expeditieleden akkoord met zijn plan, ook al bood Amundsen hen de mogelijkheid hun contract te verbreken. Zijn broer Leon maakte het nieuws openbaar tijdens een persconferentie in Oslo op 1 oktober, en via een telegram werd ook Robert Falcon Scott verwittigd. Scott was de leider van de Britse zuidpoolexpeditie, op weg naar Antarctica voor zijn eigen poging om de Pool al eerste te bereiken. Scott kon aanvankelijk maar moeilijk vatten wat Amundsen precies bedoelde met zijn korte bericht ‘Beg leave to inform you Fram proceeding Antarctic Amundsen’. Het zou nog enige tijd duren voordat hem duidelijk werd dat de tocht naar de Pool nu echt een wedstrijd zou worden en dat de tegenstander niet de eerste de beste poolsmurf was.

Zo gezegd, zo gedaan: op naar het zuiden. De Fram voer op 3 januari 1911 het pakijs in en kwam drie dagen later weer in het open water van de Rosszee. Op 11 januari kwam het Ross-ijsplateau in zicht en op 14 januari werd aangemeerd in de Bay of Whales. Amundsen besloot hier zijn uitvalsbasis ‘Framheim’ te bouwen omdat hij ervan overtuigd was dat het ijs hier op begane grond lag en er dus geen risico op afdrijven bestond. Zijn basis lag op 78°28' zuiderbreedte, ca. 90 km dichter bij de pool dan de basis van Scott op Kaap Evans in McMurdo Sound. Dat gaf Amundsen dus een aanzienlijk voordeel. Maar Ross kon dan weer voortbouwen op de bekende route van Ernest Shackleton die in 1909 tot op 150 km van de pool was gekomen. Amundsen had geen enkele voorganger en zou zijn eigen weg moeten vinden door het nooit voorheen verkende Transantarctisch Gebergte. Amundsen zou Amundsen niet zijn mocht hij dat niet als een leuke uitdaging zien.

Eind januari was de basis volledig klaar en startte de voorbereiding van de pooltocht, die gepland was na de winter. In de ochtend van 4 februari kwam er onverwacht bezoek. De Terra Nova, het expeditieschip van Scott, deed de baai aan in de hoop er onder leiding van Victor Campbell aan land te gaan om het nog onbekende King Edward VII Land te kunnen verkennen. Het zicht van de Fram en de Noorse expeditie sloeg de Britten met verbazing: zij hadden tot dan toe geen idee gehad van Amundsens precieze plannen en zagen nu hoe hun directe concurrent zich in een uitstekende uitgangspositie had gewrongen. Na wederzijdse bezoeken aan boord en een bezoek aan Framheim, voer de Terra Nova terug naar McMurdo Sound om Scott op de hoogte te brengen. Het zou Scott zijn beste dag niet worden. Tijdens de resterende twee zomermaanden werden vanaf de basis drie voedseldepots aangelegd op 80°, 81° en 82° zuiderbreedte. Zowel de route tot 82° als de depots zelf werden minutieus volgens een uitgekiend systeem bewegwijzerd, zodat ze ook bij slechte zichtbaarheid makkelijk terug te vinden zouden zijn. De overwintering in de hut werd gebruikt om de uitrusting systematisch aan te passen in functie van de ervaringen opgedaan tijdens de depottochten. Oscar Wisting maakte nieuwe, lichtere tenten met ingenaaid grondzeil en een enkele centrale tentstok, om het opzetten van de tent bij sterke wind mogelijk te maken. De oorspronkelijk witte stof werd zwart gekleurd om de zichtbaarheid te vergroten, de ogen rust te gunnen en de zonnewarmte beter vast te houden. Het gewicht van de standaardsleden werd van 50 kg tot 35 kg teruggebracht, en drie extra lichte sleden van 24 kg werden ter plekke gemaakt door Olav Bjaaland. Van vijftig sledekisten werd per stuk drie kg afgeschaafd en voorzien van een opening bovenaan zodat proviand en materiaal direct bereikbaar werden en de tijd en energie nodig om de kisten te lossen en laden onderweg uitgespaard werden. De skibindingen werden demonteerbaar gemaakt opdat de honden de hielriemen niet zouden opeten. Aan alles werd gedacht en uit alles bleek dat Amundsen niet uit zijn lood was te slaan. Hij wou en zou de eerste mens op de Zuidpool worden!

Amundsen begon zijn tocht naar de Pool op 8 september 1911 samen met zeven expeditieleden. Maar al snel na de start zakte de temperatuur tot onder -50 °C en zag hij zich gedwongen terug te keren om beter weer af te wachten. De te vroege en mislukte start gaf op de basis aanleiding tot openlijke kritiek op Amundsen. Hjalmar Johansen en Kristian Prestrud begonnen wat te mekkeren. Maar Amundsen drukte de landmuiterij meteen de kop in. Hij besliste beide mekkeraars niet langer mee te nemen naar de Pool en eiste van alle anderen apart en in het geheim een eed van trouw. Het was nu wachten op beter weer voor een nieuwe poging.

Op 19 oktober vertrok hij met vier teamleden: Olav Bjaaland, Helmer Hanssen, Sverre Hassel en Oscar Wisting. Elk van de teamleden had een slede, getrokken door 13 honden. De route liep pal zuid over het Ross-ijsplateau. Al na vier dagen bereikten ze, ondanks slecht zicht en moeilijk terrein, het depot op 80°. Daar werden de sleden volgeladen en werd twee dagen gerust. Op 3 november werd het laatste vooraf aangelegde depot op 82° gehaald, en op 15 november stonden ze op 85° ZB, aan de voet van het Transantarctisch Gebergte. Terwijl Amundsen voor de tocht over het Ross-ijsplateau kon teren op de ervaringen van eerdere expedities en zijn eigen depottochten, stond hij nu voor volledig onbekend terrein. Terra Incognita op zijn witst en koudst. Hij koos voor een route over de gletsjer die vrijwel vlak voor hen lag op de directe route naar de Pool, die hij naar een van zijn belangrijkste sponsors de Axel Heiberggletsjer noemde. In vier dagen klaarden ze de klus, en op 21 november bereikten ze het Antarctisch Plateau. Boven gekomen werden, zoals vooraf gepland, 24 honden gedood om de overblijvende dieren van voedsel te voorzien. Op 25 november startte de tocht over de hoogvlakte. Maar sneeuwstormen en bijzonder slecht terrein vertraagden de voortgang. Op 7 december sneuvelde het record van 88°23' Z dat Ernest Shackleton in 1909 had neergezet. Op 14 december bereikten ze met de zestien overblijvende honden de Pool. Om zeker te zijn van zijn zaak nam Amundsen drie dagen de tijd om de nodige astronomische metingen te doen om de precieze plaats te bepalen. Bovendien liet hij zijn metgezellen extra tochten maken om de poolzone verder af te bakenen. Bij zijn vertrek, drie dagen later, liet hij in een reservetent, samen met enige uitrusting, een bericht achter voor Scott met de vraag een in de tent achtergelaten brief gericht aan koning Haakon VII mee te nemen. Dit deed hij uit voorzorg voor het geval zijn terugtocht fataal zou aflopen. De brief werd later gevonden bij het lichaam van de overleden Scott. De terugtocht, nu meestal met rugwind en over een goed bebakende route, werd voltooid in 42 dagen (tegen 56 voor de heenreis), en leverde geen noemenswaardige problemen op. Op het Ross-ijsplateau werd soms tot 34 zeemijl per dag afgelegd, en om 4 uur ’s ochtends, op 25 januari was het gezelschap terug in Framheim. Fait accompli.

En exact 101 jaar later zijn we op weg naar datzelfde Antarctica. Dan wel niet naar de eigenlijke Zuidpool maar we komen toch ‘in de buurt’, zij het in een uitermate luxueuze situatie, vergeleken met de ontberingen die de mannen van het eerste uur in boten als de Endeavour, de Fram, de Endurance, de Terror en de Erebus hebben moeten doorstaan. Geen North Face, Mammoth, Fjälraven of 78° North. Alleen maar ijsbeervellen en robbenschoenen. En elke dag robben eten, of hond, om scheurbuik te voorkomen. Toch nog net iets sterkers dan Dixie Dansercourt en Alain Hubert.

Woensdag 12 december 2012

Gisteravond nog eens de loopband bestegen: 26’ 15’’ voor de 5 km. Ruim zes minuten sneller dan de eerste keer. Nog geen snoepgoed aangeraakt, matig geweest met vlees en alcoholische dranken. Volgende keer onder de 26 minuten moet een haalbare kaart zijn.

Blauwe Vinvis, 'critically endangered'. Vandaag hadden we er minstens drie (foto: David Monticelli/PolE)Iets voor 22:00 gisteravond hebben we, bij een stevige zonondergang - de laatste? - de lijn van de 60° overstegen. We zitten nu officieel in het gebied dat wordt gedekt door de Antarctic Treaty. Deze morgen had Diederik al een Potvis en even later kwam er een biep binnen voor drie mogelijke Blauwe vinvissen. Hup hup naar boven en prijs. Niet superdicht (2 à 3 km) maar wel goed herkenbaar. De totale wereldpopulatie wordt geschat op 9.000. Het gros (ca (5.000) houdt zich op in de Indische Oceaan terwijl het aantal in Antarctica wordt geschat op 710-1.255. De commerciële walvisvangst is er net niet in geslaagd om de soort helemaal van de kaart te vegen, al heeft het niet veel gescheeld. Om een idee te geven: in 1930-1931 werden maar liefst 30.000 exemplaren afgeknald. 30.000 op twee jaar tijd … nauwelijks te vatten hoe algemeen de soort moet zijn geweest. Slecht nieuws: deze zeereus heeft zich nooit kunnen herstellen en staat nog steeds gecatalogeerd als ‘bedreigd’ op de Rode Lijst. De zuidelijke populaties is zelfs ‘ernstige bedreigd’ en jammer genoeg ziet het er niet naar uit dat er snel een downgrade zal komen …

De helivlucht naar de rand van het zeeijs was goed voor drie Zuidelijke butskopppen, knap opgepikt door Diederik. Helivluchten voor walvissen hebben voordelen: je kan in een korte tijd een groot gebied bestrijken en wanneer een blow wordt opgepikt ben je gauw ter plaatse. Nadeel is zondermeer dat zo’n heli toch wel behoorlijk wat kan schudden en beven, zeker wanneer je stil hangt. Soms heb je ook weinig bewegingsruimte. Het meest vervelende blijft dat sommige soorten het walvispad kiezen van zodra er een heli komt aangevlogen. Maar goed: we klagen niet, met een nieuwe soort erbij op het walvislijstje.

De namiddag had nog meer fraais te bieden: een Pacifische bultrug (die met die zwarte flippers), nog een Blauwe vinvis en een loggende Potvis. En vooral: ijs. We zijn er, in het zeeijs. Eindeloos wiegend, op en neer. Hoe langer je er naar kijkt, hoe langer je er wil naar kijken. Hypontiserend, als in slow motion, op het ritme van de golven, almaar weer, zonder moe te worden. That’s what the sea-ice does. Het is mooi om zien hoe ook de crew (die dit spektakel al honderden keren heeft mogen aanschouwen) betoverd blijft door zoveel moois. Hier te mogen zijn is zondermeer een enorm voorrecht.

Dinsdag 11 december 2012

De wind is gaan liggen, alle plannen worden weer hervat. Mooi. De boot ligt het grootste deel van de dag stil om een belangrijke mooring op te vissen. Dit acoustisch instrument heeft de voorbije twee jaar (hopelijk) een ganse rits walvisgeluiden opgenomen. Omdat het één van de weinig ‘acoustic devices’ is in deze regio, heeft het ding een aanzienlijk wetenschappelijk belang. De eigenlijke data zullen wel pas bij terugkeer (van het instrument) naar Bremerhaven worden geanalyseerd.

Vandaag varen we over de 60° Zuid. We zitten dus officieel in Antarctica. Administratief heeft het wel wat om het lijf gehad om deze grens te mogen overschrijden. Je moet immers in het bezit zijn van een document van het federaal voedselagentschap (dat ook verantwoordelijk is voor milieuzaken) dat aangeeft dat je op de hoogte bent van de Belgische wetgeving met betrekking tot de bescherming van het leefmilieu in Antarctica. Vooral de wet van 7 april 2005 die het Verdrag van Antarctica implementeert in van belang. Je moet dat document dus op zak hebben maar hoeft er eigenlijk niks voor te doen. Je vraagt het aan, Melchior Wathelet zet er zijn handtekening onder en ’t is klaar. Voor de Duitsers gaat het er wel wat formeler aan toe. Alle deelnemers aan deze trip hebben een ganse dag een seminarie moeten volgen over van alles en nog wat. Voor diegenen die deze (verplichte) dag niet konden bijwonen, wordt het seminarie nog een keertje in een beperktere vorm overgedaan aan boord van Polarstern.

Goed, we zitten dus in Antarctische wateren. Vrede, wetenschappelijk onderzoek en internationale samenwerking zijn hier de drie kernwoorden. En voor de rest is het één groot natuurreservaat. Houden zo, ook na het verstrijken van de Antarctic Treaty!

Vorig jaar hadden we tussen Z 56° 63 82’ O 00° 00 05’ en Z 59° 54 02’ O 00° 51 88’ een redelijke concentratie Bultruggen en Gewone vinvissen. Omdat we dit gebied niet deftig hebben kunnen scannen (door de storm van de voorbije dagen), proberen we nog een deel in kaart te brengen met de heli. Hans is deze keer de piloot van dienst. Ook Martin, van de Weather Channel, gaat mee, om wat actie te schieten. De actie beperkt zich echter vooral tot driftende ijsbergen, al halen we er ook een Bultrug uit die zich gauw uit de voeten maakt bij het naderen van de heli. Het hangt er een beetje van af maar ik heb toch vaak het gevoel dat walvissen het niet zo op heli’s gemunt hebben. Op de ijsbergen hebben de Chinstrap pinguins verzamelen geblazen. Knap, hoe deze kleintjes zich op die drijvende ijsblokken weten heisen. Die beesten moeten verdomd goed kunnen kruipen, klauteren, klimmen. Châpeau.

Maandag 10 december 2012

Weerbericht: wind uit het noorden, in de voormiddag draaiend naar het westen, 10 Bf met pieken tot 12 Bf, bewolkt, regen, sneeuw, beperkte zichtbaarheid, golven tot 8 meter hoog bij temperaturen die schommelen rond het vriespunt. In elk geval mijn stevigste nacht/dag op zee. Uit veiligheidsoverwegingen is het niet langer toegelaten om op het arbeidsdek te gaan. Vannacht is zowat alles wat los zat op en aan het schip ten gronde gegaan en vanmorgen leek het alsof er een tsunami door het schip was gepasseerd: overal computers en telefoons rondgeslingerd, stoelen omgekieperd en niemand die een oog had kunnen dicht doen (gewoon in bed blijven liggen was op zich al een prestatie). De Furious Fifties, Vandaag gingen we door een storm met pieken tot 12 Bf en 8 meter hoge golven. Behoorlijk spectaculair om Polarstern de diepe dalen en hoge toppen te zien overmeesteren (foto: Vincent Legrand/PolE)dus (en dan te weten dat de Screaming Sixties nog moeten komen).

Anyhow: de BBQ was goed, met een ganse dierentuin aan op te eten beesten: struisvogel, Kudu, antiloop, speenvarken, … niet meteen een hoogmis voor vegetariërs. Alles wat voor vandaag gepland was, wordt gecancelled en het wordt wachten op ander (en beter) weer. Reden: ze willen kost wat kost een acoustisch instrument recupereren dat hier twee jaar geleden werd gedropt. In de late namiddag zou het tij kunnen keren. Laten we hopen dat Armand Pien aan boord het bij het rechte eind heeft.

Vanavond de tweede ronde van Mastermind gespeeld. De sterkhouder van de eerste reeks (kapitein Uwe Pahl) kon er jammer genoeg niet bij zijn. De nieuwe vedette is Daniel Zitterbart. Zijn team (met de welluidende naam ‘blowshop’) leidt nu met een comfortabele voorsprong.

Morgen gaat de storm liggen en worden alle activiteiten hervat. Op zich was het best wel stevig: in de 30 jaar dat Polarstern rondvaart, ging het nog nooit door zo’n lagedrukgebied. Met 947,9 Hpa werd een nieuw record gevestigd!

Zondag 9 december 2012

Vandaag is een heuglijke dag: Polarstern is 30 jaar in vaart en dat moet gevierd worden. Voor vanavond staat er een BBQ gepland op het buitendek. Of die zal doorgaan, is nog maar zeer de vraag. Even een blik geworpen op de weersvoorspelling: NE 8 bf met pieken tot 10, sterk bewolkt, sneeuw, regen, een beperkte zichtbaarheid, golven tot 6 meter hoog, 3°C. Op zich niets om over naar huis te schrijven maar toch voldoende voor een oproep via de intercom om alles veilig op te bergen. Alle plannen voor morgen worden gecancelled want het schip gaat stampen en rollen. Totnogtoe heb ik enkel pieken van 9 meegemaakt dus met 10 hebben we er weer een nieuwe ervaring bij.

Er zijn twee journalisten aan boord: Brian en Marcus. Beiden werken voor the Weather Channel, een Amerikaans kanaal dat vooral weerberichten uitzendt maar ook fraaie documentaires maakt. Ze zullen een reeks van zes maken over het leven aan boord van een ijsbreker. Collega’s van Brian en Marcus zaten eerder dit jaar op een boot die richting In 2014 trekken we met een ganse boot Natuurpunters ook naar de polen. Niet naar de Zuidpool, deze keer, wel richting noord. Walrus zal quasi zeker van de partij zijn. (foto: Edgard Verhasselt)noord ging en nu volgt het verhaal richting zuid. Zes keer een half uurtje Polarstern. Dat wordt leuk om naar (uit) te kijken.

De helitrip die gepland stond voor deze ochtend hebben we afgeblazen wegens te veel wind, te hoge golven, te geringe zichtbaarheid. Op zich best jammer want vandaag passeren we het stuk waar we vorige jaar waanzinnige concentraties hadden van Crabeating seals, Antarctic petrels met redelijke aantallen van Bultrug en Gewone vinvis. Ook morgen zullen we naar een helivlucht kunnen fluiten want dan wordt het weer nog slechter. Vliegen met schuimkoppen all over the place heeft gewoon geen zin: de kans dat je een blowende walvis oppikt in deze weersomstandigheden ligt gewoon te laag. Jammer maar helaas.

Vogelsgewijs lijken we wat in een dode zone te zijn aanbeland. Blue petrels en Kerguelen petrels met mondjesmaat maar dat is het zowat, op een enkele Light-mantled sooty albatross na. Intussen ook nieuw van het thuisfront: de Natuur.reis naar Spitsbergen die staat gepland voor 2014 gaat zeker door. In enkele weken tijd schreven zich ruim 80 mensen in: een onverhoopt succes. Voor wie nu pas van deze ijzingwekkende excursie zou horen: er zijn nog steeds plaatsen vrij, so feel free to join!

Vrijdag 7 december 2012

D-day. Vandaag passeren we vlakbij Bouvetoya, het meest geïsoleerde eiland ter wereld: 1.600 km van het Antarctische continent, 2.600 km verwijderd van Zuid-Afrika en 4.800 oost van Kaap Hoorn. Hoe afgelegen kan afgelegen zijn. 49 km² en één van de minst bezochte plekken ter wereld. Hoeveel Belgen zouden dit eiland eigenlijk al gezien hebben? Het eiland werd genoemd naar Bouvet de Lozier, een Fransman die het als eerste zag op 1 januari 1739. Bouvet kon de exacte positie van ‘zijn’ eiland echter niet bepalen. Geen wonder dat Cook het in 1772 en 1775 niet kon terugvinden (hij werd met foute coördinaten het bos ingestuurd). In 1927 zetten zeelui van de Britse schepen Sprightly en Lively voor het eerst voet aan land en claimden ze het eiland voor de Britse Kroon. De Britse regering liet haar claim in 1930 echter varen en liet de eer aan de Noren. Die zitten hier dus nu met een stuk land. De bouwgrond zal er vast niet duur zijn want het is bijna onmogelijk om aan te meren wegens een sterke terugslag van het water en veel verborgen (en dus gevaarlijke) rotspartijen in de zee. Birdlife International nam Bouvetoya recent op in haar lijst van Important Bird Areas, beter bekend als IBA’s. Opmerkelijk detail: in september 1979 werd een thermonuclear apparaat tot ontploffing gebracht voor de westkust van Bouvetoya. Wie hiervoor verantwoordelijk was, blijft een raadsel.

In de vroege ochtend, vanaf 03:58 was het al raak: een concert van spuitfonteinen. Bultrug en Gewone vinvis. Maar in de namiddag kwam het hoogtepunt van de trip totnogtoe: een helivlucht rond het eiland. Op weg erheen hadden we drie Gewone vinvissen, maar wat het eiland zelf te bieden had, was ronduit ongelofelijk. Stranden vol Antarctic fur seal.  Machtig mooi. In 2001 werden er 74.966 geteld. Niet dat we ze allemaal gezien hebben maar het rotserige strand had toch veel weg van Blankenberge op een topdag in augustus. Ertussen lagen enkele tientallen Southern elephant seals. Dikke, vette, bruine worsten, rustig aan het nietsdoen. De dag was van hun. No hurry, no worry, no chicken, no curry. Boven een Bultrug hangen die zijn muil aan volproppen is met water om dat dan door zn baleinen heen te jagen, is gewoon on-be-schrij-fe-lijk machtig (foto: Vincent Legrand/PolE)Gauw verder naar de volgende attractie: een pinguïnkolonie. Macaronis, allen keurig op elkaar gepakt, met hun wiebelende gele kuifjes. Een survey in 1978/1979 schatte het aantal pinguïns op Bouvetoya op 100.000 maar dat aantal is de voorbije jaren gecrasht. Vooral Chinstraps hebben rake klappen gekregen. Boosdoener: de ‘boom’ van Antarctic Fur Seals. We zagen er twee, in aangenaam gezelschap van twee Gentoo pinguins (een minder algemene soort op het eiland). Ook leuk: twee King pinguins, een beetje éénzaam waggelend tussen al het kleinere pinguïngeweld door. Echt veel gekker moest het niet meer worden. Tijdens de rondvlucht speelde zich onder ons een onwaarschijnlijk schouwspel af: Southern Fulmars, meer dan mensen op de wei van Werchter. Een schatting in 1998/1999 bracht het aantal broedpaar op 100.000. Ertussen: van alles en nog wat: Southern giant petrel, Black-browed albatross, Black-bellied storm-petrel, Cape petrel, Subantarctic skua en de eerste Snow petrel van de trip. Maar bovenal: acht lunge feeding Bultruggen. Vlak boven zo’n zeereuzen hangen die tonnen water tot zich nemen om die dan door hun baleinen te jagen is gewoon on-be-schrij-fe-lijk gaaf. Met hun lange witte flippers doen ze me altijd wat denken aan onderwatervogels, hoe gracieus ze door het water glijden, flipflappend door de wereldzeeën heen. Man, man, man: wat is dat schoon. Misschien moeten we hier met Natuurpunt ook eens heen komen.

Van alle dagen op Polarstern scoort vandaag toch wel heel erg hoog, al blijft mijn topdag het dagje bij Cape Sabine, Groenland, toen we geschiedenis schreven met meer dan 300 Narwallen, een witte Giervalk, een kudde Muskusossen en René-Marie Lafontaine die illustreerde hoe je zelfs door je neus kan kotsen. Stuk voor stuk indrukwekkend. Ik denk dat ik vannacht bijzonder goed ga slapen.

Donderdag 6 december 2012

Sinterklaas kapoentje, gooi wat in mijn schoentje, gooi wat in mijn laarsje, dank u Sinterklaasje. Gisteren schoen gezet maar deze ochtend stond ie er nog net zo bij als gisterenavond: leeg. ’t Zal voor de Sint misschien te woelig geweest zijn om met zijn schimmel over de baren te varen.

Vannacht wakker gebeld om 05:31. Twee Bultruggen, vlak voor. Halfwakker, T-shirt binnenste buiten en met een foute sokkencombinatie naar boven gerend. Goed gezien, twee joekels op 425 meter. Verder zou het toch niks geworden zijn want het is één al grijze soep. Mist, Nebel en brouillard, zo ver het oog reiken kan. Vandaag passeren we een eerste afgedwaalde ijsberg maar die laat zich - wegens de dichte mist- enkel op het radarscherm zien. Het zijn lange schifts, zo vier uur in het ijle staren. Het doet een beetje denken aan mijn tweede Arctische trip, in 2010, toen we bijna op drie weken onophoudelijke mist werden getrakteerd maar tegen beter weten in toch naar vogels bleven speuren. Hartmunt Sonabend, de man die elke dag de weerballonnen oplaat, schreef er toen zelfs een gedicht over: Der Mann die in der Nebel staart, is Dominique die Fugelwart. Schoon.

Omdat het met de mist niet lukt, proberen we dan maar de tijd te verdrijven door een quiz in elkaar te steken. Mastermind. Elke reeks telt 20 vragen, over van alles en nog wat: politiek, aardrijkskunde, sport, muziek, geschiedenis. Weetjes over het leven aan boord, Polarstern en beesten van de polen zijn goed vertegenwoordigd. Benieuwd of het wat zal aanslaan.

Woensdag 5 december 2012

We zitten in de Furious Fifties: 9 Bf en het schip verdwijnt zo nu en dan grotendeels onder de golven. Op deck F (het laagste dek, ‘gelijkvloers’ met de zee) word je overspoeld. Behoorlijk stevig maar nog niet echt heftig. Hopen op harder want een echte storm heeft toch zo zijn charmes.

Leuk: deze middag drie dappere Macaroni Pinguins, naarstig duikend in een stormpje van 9 Bf (foto: Hans Verdaat)Deze ochtend passeerden we op een 300 mijl van Bouvetoya, het meest afgelegen eiland ter wereld. Geen idee of daar eigenlijk mensen wonen of niet, maar voor Macaroni pinguins is het een goede stek. Een jep: rond de middag was het prijs: drie stuks, vrolijk dobberend op een almaar woestere zee. Felle rakkers, die Macaroni’s, zeker wanneer ze naar voedsel duiken. Met hun vleugelstompjes gaan ze vlot tot 20 meter onder de zeespiegel en de strevers zetten zelfs door tot 115 meter, op zoek naar krill, kleine visjes en cephalopoden. Het zijn nu eens geen albatrossen maar het verhaal blijft even somber: ook deze geelgekuifde waggelaars staan op de Rode Lijst. Sommige populaties zijn er de laatste 36 jaar met minstens 50% op achteruitgegaan. Vermoedelijke oorzaak: opwarming van de oceanen. Miserie.

Olaf komt vragen of ik al gedoopt ben. Ik probeer er nog onderuit te komen door te zeggen ‘ja, in de kerk’, maar dat telt niet. Na vier eerdere expedities aan boord van Polarstern, zullen  we dus onze zeemansdoop moeten ondergaan. De foto’s van eerdere dopen laten in elk geval de gebruikelijke vetzakkerijen die men doorgaans associeert met dergelijke aangelegenheden vermoeden. Kop kaalscheren, visbeulingen opeten, Neptunus zijn teennagels knippen en dergelijke. Het goede is dat je dan ook een certificaat krijgt waarmee je alle volgende dopen kan afslaan. Het is wat het is en we zien wel wat het brengt.

Dinsdag 4 december 2012 

Goed geslapen, veel gedroomd. Van een tochtje naar de Argonne (met veel Oehoes) en een bezoek aan de Gentse Feesten (zonder Oehoes). Ook vastgesteld dat ik snurk al uitademend (ieder zijn eigen specialiteit). De ochtendstond had weinig om het lijf. Eigenlijk stelde de ganse dag weinig voor. Soft-plumaged petrel, White-headed petrel, White-chinned petrel,Black-browed albatross, Wandering albatross, Southern royal albatross en Light-mantled sooty albatross. Toegegeven: een mens raakt gauw verwend maar ’t had wel wat meer mogen zijn. Tegen de avond aan zagen we de eerste Blue petrels.

Southern giant petrels doen hard hun best om zo lelijk mogelijk te zijn.Ze hebben geniepige bandietenoogskes en zien eruit zoals ze zijn: smeerlapperig. Een niet graag geziene gast in pinguïnkolonies (waar ze zich tegoed doen aan lijken allerhande) en ook op zee stekken ze vogels bij de nek vast om ze zachtjes onder water ter verzuipen. We vallen in herhaling maar ook met deze soort gaat het niet goed (‘Kwetsbaar’ op de Rode Lijst van IUCN).

Vandaag een Duitse babbel geslaan met Frau Pahl, de vrouw van de kapitein. Na 17 jaar trouwe dienst aan boord van Polarstern werd aan Uwe Pahl de gunst verleend dat hij zijn halve trouwboek op deze trip mocht meenemen. Ze zont wat, eet wat, leest wat en ziet hard uit naar het ijs en haar eerste pinguins en walvissen. Lijkt wel een aardig mens, net als haar man, trouwens. Net als de meeste Polarsternisten kent Uwe behoorlijk wat van vogels en net als de meeste zeelui heeft hij een groot respect voor albatrossen. Voor zeelui zijn albatrossen de rondvliegende zielen van schippers die zijn vergaan op zee. Albatrossen doden is dan ook ‘not done’, heiligschennis, een misdrijf van de hoogste orde.

Intussen zijn wel al flink geweest: gisteren was de snoepwinkel open en we hebben verzaakt aan alle neuskes, gummibeerkes, winegums en andere vetzakkerij. Misschien komt het gewichtsgewijs toch nog allemaal in orde.

Maandag 3 december 2012

Prijs voor de meest indrukwekkende vogel totnogtoe gaat met stip naar de Reuzenalbatros. Eigenlijk doet zijn Engelse naam - Wandering albatros - het beest meer eer aan. Want zwerven kunnen ze opperbest. Wat te denken van een gezenderd beest dat in negen weken 25.000 km afvleugelde. Deze zeemeesters halen een gemiddelde van 55 km/u en gaan in 10% van de tijd vlotjes over de 85 km/u. Niet slecht voor wat beenderen en een hoop veren. Maar de soort krijgt rake klappen. Vooral de vrouwtjes laten zich vangen aan de vishaken van commerciële longliners, uit op tonijnenbuit. In sommige kolonies laat die vishakendood zich loeihard voelen: -50% tijdens de voorbije 20 jaar. De Reuzenalbatrossen die op South Georgia broeden, gaan er sinds 1979 met 1% per jaar op achteruit. De laatste doet het licht uit …

Vandaag vlogen de eerste Grey-headed Albatrosses zich op de triplijst (foto: Olivier Dochy/PolE)Vandaag is het best winderig: 7 Bf, regen, veel spray, niet meteen je weertje. Grey-headed albatross, Southern royal albatross, Light-mantled sooty albatross, Grey petrel en Subantarctic little shearwater zijn nieuw voor de triplijst. Uit het niets duiken honderden prions op. Hatelijke vogels: vliegensvlug en ze lijken allemaal op elkaar: Antarctic prion, Slender-billed prion en Broad-billed prion. Alleen die laatste houdt er een zwarte breedbek op na en laat zich nog enigszins determineren maar de rest is (toch voor mij) miserie.

Mooi dagje vandaag. Veel afwisseling, goed gegeten, mooie waarnemingen onder goede lichtomstandigheden. Content en nu flinke dodo.

Zondag 2 december 2012

De eerste zondag op Polarstern. Ossenstaartsoep, kalfsgebraad op een bedje van Parijse worteltjes, hertoginnenaardappeltjes overgoten met champignonsaus. Met mijn gewicht gaat het al meteen de verkeerde kant uit. Van Raphaël heb ik intussen  geleerd dat ‘bierbuik’ in het Frans ‘bidon’ is en van de sessie bij de Weight Watchers deze ochtend onthouden we vooral dat we best zo gauw mogelijk weer moeten sporten.

Het gaat niet goed met de Wenkbrauwalbatros. Net zoals de meeste andere albatrossoorten, gaan de aantallen sterk in de min door de longline-visserij.Vandaag liggen we vooral stil om een aantal dingen uit te testen. Het weer is perfect: 2 tot 3 Bf, 22 °C, niet meteen wat je zou verwachten in de Roaring Forties. Diederik zag ’s morgens twee keer Butskoppen. In de namiddag kwam de ene na de andere vogel zich vergapen aan de Polarstern: Atlantic yellow-nosed albatross, Indian yellow-nosed albatross, Wandering albatross, Dark-mantled sooty albatross, Shy albatross en Black-browed albatross vlogen zich op de daglijst. Zes soorten albatros, lang niet slecht voor een windstil dagje seawatch met een Waal en een West-Vlaming. Voor elke Wenkbrauwalbatros hebben we een kaars aangestoken (de advent lijkt te zijn begonnen en overal zie je adventskransen opduiken). Van alle albatrossen zit Wenkbrauw in de slechtste papieren. Bij een survey in november - december 2000 in de Falklands werd een achteruitgang van 86.000 paar vastgesteld t.o.v. de vorige survey die werd uitgevoerd in … 1995; - 86.000 paar op vijf jaar tijd. Hopelijk kan de ‘Save the Albatross’-campagne van Birdlife International het tij nog doen keren.

Maar goed, terug naar de orde van de dag: we staan te vet. Lopen dus, op de loopband, in de sportzaal. En neen: het ging inderdaad niet vlot: 32’ 20’’ voor 5 km. We hebben betere tijden gekend. Het goede nieuws: het kan alleen maar beteren (hopen we). Even in de Polarsternarchieven gedoken: in juni 2010 gingen de eerste 5 km in 28’ 42”, in juni 2011 in 27’ 02” en in december 2011 in 26’ 10”. Met de starttijd van vandaag hebben we dus een trendbreuk veroorzaakt maar met een beetje volharding en minder neuskes en negerinnetetten zit het erin dat we tijdens de 20 km van Brussel eind mei niet langer zullen moeten meetrotten met de 75+ers.

Zaterdag 1 december 2012

Het gaat niet goed met de White-chinned Petrel. De soort staat als 'Kwetsbaar' op de Rode Lijst van de International Union for the Conservation of Nature (IUCN)(foto: Olivier Dochy/PolE).De eerste nacht aan boord van Polarstern verliep woelig. Bij 9 Bf ziet je kamer er ’s morgens soms net iets anders dan de avond ervoor. Vallende voorwerpen zijn een veel voorkomend verschijnsel. Maar goed: we zijn de nacht doorgekomen (zonder een bezoek aan de WC-pot) en om 05:00 begonnen met de eerste telling. Great-winged, White-chinned en Soft-plumaged petrel zorgden voor een onderhoudend dagje al gaat mijn persoonlijke voorkeur uit naar de zwik White-headed petrels die zich tegen de avond aan aandienden. De albatrossen hadden er niet zo’n zin in. Meest gezien: Shy albatross.
Het verhaal van heel wat albatrossen is triest: bijna alle staan ze op de Rode Lijst, doorgaans omdat ze met duizenden aan de haak gaan bij longline visserij. Om een idee te geven: in 1990 sneuvelden in Nieuw-Zeelandse wateren ca. 2.300 Shy albatrosses als ongewenste bijvangst. Voor een soort die zich traag voortplant - albatrossen houden het op één legsel per jaar, goed voor één ei - zijn dergelijke verliezen catastrofaal. Machtig om deze zeereuzen te zien voorbij zweven; intriest om te beseffen dat ze mogelijk aan hun laatste decades op aarde bezig zijn. Walvisgewijs hebben deze wateren weinig om het lijf. Met een ongedetermineerde blow en twee  springende Bultruggen mogen we dus best tevreden zijn.

Eén van de teams aan boord is het MAPS-team onder leiding van Olaf Boebel. Dit team heeft een computeralgoritme ontwikkeld dat automatisch spuitfonteinen van walvissen detecteert. Tenminste: dat is toch de bedoeling. Olaf en zijn team werken reeds vijf jaar aan dit project en het systeem komt nu in een eindstadium maar is er nog wat werk aan. Voor wie het zich wil aanschaffen: de kostprijs ligt op 800.000 euro.

De start

Op 10 juni 2010 zetten we voor het eerst voet aan boord van Polarstern, parel aan de onderzoekskroon van het Duitse Alfred Wegener Institute. Nog nooit van gehoord? Ik ook niet, tot dan. Maar de Polarstern is voor het polair en oceanografisch onderzoek wat Eddy Wally is voor Ertvelde: uniek, wereldtop, subliem. Sinds 1982 vaart deze ijsbreker heen en weer, van noord naar zuid, Svalbard-Antarctica en terug, elk jaar weer, als was ze een Noordse Stern. IJs van 1,5 meter dik is voor dit schip peanuts en als het moet ramt deze kranige Duitse zich zelfs een weg door 3 meter dik ijs. Alles voor de wetenschap. Intussen hebben we er al 113 dagen Polarstern opzitten en is het een beetje een tweede thuis geworden. Narwal, IJsbeer, Blauwe vinvis, Zeeluipaard, Keizerspinguin: vanaf de brug hebben we al de meest machtige beesten in oneindig mooie settings mogen aanschouwen. Stuk voor stuk topervaringen van woeste natuur. Ongeschonden, puur, zuiver: het witte continent.

 Op 30 november gaan we weer aan boord, dit keer in Cape Town, Zuid-Afrika. Wil je weten waar we zitten? Klik dan hier. Via deze blog willen we je een beetje laten proeven van het leven aan boord van één van de meest gerenommeerde onderzoeksschepen ter wereld. Enjoy!

 

Reisverslag Engelse Oostkust (01/11 - 04/11/2012)

Met 22 trokken we van 1 tem 4 november naar de Engelse oostkust om eens geen waddeneiland aan te moeten doen. Een goed moment en een goede keuze want we hadden beter weer dan aan deze kant van de plas, al waren er ook natte en winderige momenten. Wat vogels betreft geen hoogvlieger maar zeker onderhoudend. Wat natuur betreft toch interessant en speciaal in een vooral veel beter bewaard landschap dan wat wij hier erfden. We sliepen drie nachten aan een vriendenprijs in de treffelijke Bird Observatory van Sandwich Bay waar we ook meestal aten, oa Hutsepot en Spaghetti, door Guy op voorhand bereid. Zo'n Bird Observatory heeft als kenmerken een shop, veel educatieve activiteiten, een permanent ring- en mottenstation, slaapgelegenheid en vooral veel lokale hangouderen met verrekijker aan de hals. Het excuus was misschien wel het povere weer maar veel gevogel kwam daar eigenlijk niet uit.

Donderdag 1 november

In de gietende regen naar Calais gereden met één Grote zilver ergens in de polders. De overtocht, toch redelijk woelig, met redelijk wat Alken, Zwartkopmeeuwen, honderden Jan van genten en enkele Noordse stormvogels. Al van ver zagen we dat 'the white cliffs of Dover' in de zon lagen. Op weg naar Dungeness bleek het toch wat winderig. Daar aangekomen, stelden we vast dat er zoals altijd heel weinig vogels zaten. De enige haalbare leuke soort, een Grote burgemeester vonden we niet. We zagen wel een Vos. We bezochten de nieuwe Heligoland trap, leuk ding, maar hier vangen ze echt wel weinig vogels. Een kort bezoek aan het nabijgelegen RSPB reserve leverde wat eendjes, Grote zilvers en Bruine kieken op. Dungeness omvat een groot areaal van een zeer zeldzaam Europees habitat, kiezelstranden oftewel shingles. Doordat het  grondwater hier heel diep zit, groeit er weinig vegetatie op. Enkel in de ontgonnen delen ontstaan bosjes of zelfs plassen. Tegen de avond, al rond 16 u lokale tijd, reden we naar onze slaapplaats in Sandwich.

Vrijdag 2 november

Het leek een bewolkte ochtend, licht vanaf 6.30 u. Kleine barmsijs en vooral groepjes Boerenzwaluw vlogen over de Bird Observatory, waar we 3 nachten sliepen. We liepen van de BO over de Golf, enkel op de publieke voetpaden te betreden, naar de smalle kuststrook bestaande uit gras, mos en Helm, die we naar het noorden afliepen tot we wat meer Duindoorn tegenkwamen. Tegen dat we goed en wel op tocht waren vertrokken begon een meer intense regenbui die ons een uur op non-actief zette. Daarna klaarde het gelukkig op en zagen we onder perfecte omstandigheden toch wat leuke soorten. Vossen (2), Boomleeuwerik, tientallen Boerenzwaluwen, een zeer late Grasmus, een opvliegende Grote pieper, de al eerder aanwezige Provencaalse grasmus,  een late Tapuit. Als planten vielen Gele hoornpapaver op, rozetten van Bokkenorchis (Lizard Orchid), Zeevenkel en Blauwe zeedistel. We bezochten ook de pier van het nabijgelegen Deal waar we een hondertal Zwarte zee-eenden en 4 Grote zee-eenden zagen, merkwaardig genoeg allemaal in wijfjeskleed. Ze haalden hier met enige regelmaat Hondshaaien boven, blijkbaar om op te eten.  In de namiddag trokken we naar binnenland Stodmarsh NR, een moerasgebied met ongeveer een vierkante mijl aaneengesloten rietveld. We zagen IJsvogel, Bruine kieken, honderden Kramsvogels, een Blauwe kiek en hoorden heel wat Waterrallen en Baardmannetjes. De Roerdompen bleven onopgemerkt.  In de brochure van dit reservaat staat dat in de natuur buiten lopen goed is om kinder-obesitas, hart- & vaatziekten, stress en depressies te vermijden. Desondanks meldde Dirk die avond dat hij bestuurslid van NP Bovenschelde wou worden ... . Nu nog die motor om naar de vergadering te rijden. De thuisblijvers zagen een Velduil in de buurt van de BO.

Zaterdag 3 november

Vandaag hadden de vroege vogels pech met de regen. Na het ontbijt trokken we naar Reculver, de noordkust van Kent. Daar vertrok van een oude kasteelruïne een wandeldijk voor enkele mijlen naar de volgende badplaats. Net naast het pad vonden we een tamme Strandleeuwerik en een tamme Sneeuwgors, allebei op minimumafstand zodat ook mijn jongste zoon Ilya ze op zijn lifelist kon zetten. Heel wat Rotganzen hier, Fraters voorbijvliegend, Rouwkwikstaarten, Bruine kiek... . Tegen de middag wel een fel opgestoken wind. In de namiddag werd er hier en daar rond de BO wat gevogeld. Een deel deed een boottochtje naar de Stour estuary om een dertigtal Zeehondjes op minimumafstand te bezichtigen. Hier hadden we al een mooie groep van zo'n 350 Goudplevieren zien zitten met daarbij hele reeks andere steltlopers. 's Avonds probeerden we een plaats waar 16 Dassen in een burcht nabij een drukke baan zaten, maar dat lukte niet. Tijdens de verkenning van deze plaats had ik Beflijster en Geelgors. Voor de tweede avond op rij werd Kerkuil gespot aan de BO.

Zondag 4 november

Vandaag reden we wegens harde wind naar een bosgebied bij Canterbury waar we in de gietende regen een 3 mijl wandelden, om daarna doorweekt naar huis terug te keren. Al bij al wel een knap bos, ook in de regen, met blijkbaar een goede populatie Hazelmuizen, Parelmoertjes en Nachtzwaluwen. Die Hazelmuizen vinden ze nu 's winters als resident in sommige soorten birdfeeders, een fenomeen dat ze mogelijks wijten aan opwarming van het klimaat. De laatblijvers kregen daar toch nog een zonnig einde op de parking met wat leuke soorten zoals Kruisbek, Glanskop, Kleine bonte specht en Grijze eekhoorn. Deze laatste exoot zou een beter geheugen hebben dan de inheemse Rode eekhoorn wat hem competitief sterker maakt. Hij vindt meer nootjes terug van zijn wintervoorraad. Dat vertelde Paul ons na zijn 31 ste Paradise, een lokaal biertje waar je na 30 pinten eerder onstabiel raakt door de hoeveelheid water dan de alcohol. Op de terugweg zag ik in een Ardens aandoend stroompje tussen de bossen nog 2 Kleine zilverreigers vissen op Beekforellen. Die zitten hier zeker niet alleen langs de kust.

Terug aan de BO, middagmaal en opkuisbeurt. Het weer weerhield ons niet meer om te vertrekken. We maakten ons psychologisch klaar voor de Kanaalrat. Op de boot rond 16 u vonden we alleen een Kanaalmuis. Een Kuifaalscholver in Dover, weer Alken en Jannen, een Roodkeelduiker en wat Dwergmeeuwen.

We klokten af op 121 soorten, lang niet slecht, maar bleven toch zonder echte uitschieters. Eerder een onderhoudend weekendje maar dan wel zonder Canadese ganzen. Wat ik toch merkwaardig vond.

Geert

U bevindt zich hier: